-1-   -2-   -3-   -4-   -5-   -6-   -7-   -8-   -9-   -10-   -11-   -12-   -13-   -14-   -15-   -16-   -17-   -18-

18-1

Arjuna zei: O sterke, ik wil het doel van verzaking en de orde van verzaking begrijpen, o meester van de zintuigen, o dodelijke van de demon Keši.

Uitleg: In dit vers richt Arjuna zich tot Krishna met de wens om het doel van verzaking en de aard en het verschil te begrijpen tussen de orde van verzaking (de levensorde waarin iemand wereldse verlangens opgeeft) en verzaking (het principe van handelen dat het opgeven van de vruchten inhoudt). Hij wil weten hoe deze twee concepten verschillen en hoe ze helpen op het spirituele pad.

18-2

De Allerhoogste Heer zei: Wijzen begrijpen dat verzaking van acties op basis van materiële verlangens de levensorde van verzaking is. En het overdragen van alle vruchten van acties aan God noemen wijzen verzaking van vruchten.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat wijzen begrijpen dat verzaking van acties op basis van materiële verlangens de levensorde van verzaking is, maar het overdragen van alle vruchten van acties aan God noemen wijzen verzaking van vruchten.

18-3

Sommige wijzen beweren dat elke actie die gebreken heeft, moet worden opgegeven, maar anderen geloven dat offers, liefdadigheid en ascese nooit mogen worden opgegeven.

Uitleg: In dit vers onthult Krishna twee verschillende meningen over handelen en zich ervan onthouden. Sommige wijzen zijn van mening dat elke actie die gebreken heeft, moet worden opgegeven, omdat deze de ziel aan de materiële wereld bindt. Andere wijzen zijn echter van mening dat offers, liefdadigheid en ascese behouden moeten blijven, omdat ze essentieel zijn in de spirituele praktijk en helpen het bewustzijn te zuiveren.

18-4

O beste van de Bharata's, luister naar Mijn oordeel over verzaking. O tijger onder de mensen, verzaking wordt in de Heilige Schrift beschreven als drie soorten.

Uitleg: In dit vers nodigt Krishna Arjuna uit om naar Zijn mening over verzaking te luisteren en legt uit dat het in de Heilige Schrift wordt beschreven als drie soorten, in overeenstemming met de drie hoedanigheden van de materiële natuur. Hij staat op het punt om deze drie soorten verzaking in detail uit te leggen, die verband houden met goedheid, hartstocht en onwetendheid.

18-5

Offers, liefdadigheid en ascese mogen nooit worden opgegeven; ze moeten worden uitgevoerd. Waarlijk, offers, liefdadigheid en ascese zuiveren zelfs grote zielen.

Uitleg: In dit vers benadrukt Krishna dat offers, liefdadigheid en ascese nooit mogen worden opgegeven, omdat het essentiële spirituele praktijken zijn die zelfs grote zielen zuiveren. Deze acties helpen om egoïsme, gehechtheid en materiële verlangens los te laten, waardoor spirituele groei wordt bevorderd.

18-6

Al deze acties moeten worden uitgevoerd zonder gehechtheid en zonder verlangen naar vruchten. Ze moeten als plicht worden uitgevoerd, o Pārtha. Dat is Mijn uiteindelijke mening.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat offers, liefdadigheid en ascese moeten worden uitgevoerd zonder gehechtheid en zonder verlangen naar vruchten. Ze moeten als plicht worden uitgevoerd, in het besef dat deze acties noodzakelijk zijn voor spirituele ontwikkeling en niet voor persoonlijk gewin. Deze benadering is Krishna's uiteindelijke en onveranderlijke mening.

18-7

Vastgestelde verplichtingen mogen nooit worden opgegeven. Als iemand zijn vastgestelde verplichtingen uit waanideeën opgeeft, is een dergelijke verzaking in de hoedanigheid van onwetendheid.

Uitleg: In dit vers waarschuwt Krishna dat vastgestelde verplichtingen, die voortvloeien uit iemands aard en positie in de samenleving, nooit mogen worden opgegeven. Als iemand zijn verplichtingen uit waanideeën opgeeft, zonder de ware betekenis ervan te begrijpen, komt een dergelijke verzaking overeen met de hoedanigheid van onwetendheid en leidt deze niet tot spirituele groei.

18-8

Wie zijn vastgestelde verplichting opgeeft, omdat hij deze als lastig beschouwt, of uit angst, handelt in de hoedanigheid van hartstocht. Door zo te handelen, behaalt hij nooit het resultaat van verzaking.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat het opgeven van een verplichting op basis van angst voor moeilijkheden of ongemak overeenkomt met de hoedanigheid van hartstocht. Een dergelijke actie getuigt niet van ware spirituele verzaking en levert niet het verwachte resultaat op – bevrijding. In plaats daarvan bindt het de persoon nog meer aan de materiële wereld.

18-9

O, Arjuna, wanneer iemand zijn voorgeschreven plicht vervult enkel omdat het moet, en afstand doet van elke gehechtheid aan de materie en aan de vruchten, dan is zijn onthechting in de hoedanigheid goedheid.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna ware onthechting, die in overeenstemming is met de hoedanigheid goedheid. Iemand vervult zijn voorgeschreven plicht zonder enige gehechtheid, simpelweg omdat het moet, en doet afstand van elke gehechtheid aan de vruchten. Zo'n onthechting is onbaatzuchtig en gebaseerd op puur spiritueel bewustzijn.

18-10

De wijze onthechte die standvastig is in goedheid en een hekel heeft aan onaangenaam werk, maar ook niet gehecht is aan aangenaam werk, twijfelt niet aan actie.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna de kenmerken van iemand die ware onthechting in de hoedanigheid goedheid heeft bereikt. Zo iemand is wijs, heeft een hekel aan onaangenaam werk en is niet gehecht aan aangenaam werk. Hij is vrij van twijfel over hoe te handelen, omdat zijn acties gebaseerd zijn op puur spiritueel bewustzijn en een gevoel van plicht.

18-11

Voor een belichaamd wezen is het inderdaad onmogelijk om volledig afstand te doen van alle activiteiten. Maar wie afstand doet van de vruchten van de activiteit, is werkelijk onthecht.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat het voor een belichaamd wezen, zolang het zich in een fysiek lichaam bevindt, onmogelijk is om volledig afstand te doen van alle activiteiten. Het is echter mogelijk om afstand te doen van de vruchten van de activiteit, d.w.z. de gehechtheid aan de resultaten. Wie dit kan, wordt beschouwd als werkelijk onthecht, omdat zijn motivatie niet gericht is op persoonlijk gewin, maar op spirituele plicht.

18-12

Voor wie niet onthecht is, zijn er na de dood drie soorten vruchten – wenselijke, onwenselijke en gemengde. Maar zij die onthecht zijn, hoeven dergelijke resultaten niet te ervaren.

Uitleg: In dit vers verduidelijkt Krishna het verschil tussen degenen die niet onthecht zijn van de vruchten van de activiteit en degenen die werkelijk onthecht zijn. Iemand die niet onthecht is, ervaart na de dood drie soorten vruchten – wenselijke, onwenselijke en gemengde, afhankelijk van zijn eerdere acties. Degenen die werkelijk onthecht zijn, zijn daarentegen vrij van deze gevolgen en ervaren geen plezier of lijden meer dat samenhangt met de resultaten van materiële activiteiten.

18-13

O sterkgearmde Arjuna, volgens de Vedānta zijn er vijf oorzaken nodig om een actie uit te voeren. Leer ze nu van Mij kennen.

Uitleg: In dit vers begint Krishna de vijf oorzaken uit te leggen die nodig zijn voor het uitvoeren van een actie, volgens de Vedānta filosofie. Hij nodigt Arjuna uit om aandachtig te luisteren om deze oorzaken te begrijpen, die zullen helpen de principes van actie en onthechting beter te begrijpen.

18-14

De plaats van actie (het lichaam), de dader, de verschillende zintuigen, de verschillende inspanningen en ten slotte de Allerhoogste Ziel – dit zijn de vijf oorzaken van actie.

Uitleg: In dit vers somt Krishna de vijf oorzaken op die nodig zijn voor het uitvoeren van een actie: het lichaam als de plaats van actie, de dader (de ziel), de verschillende zintuigen, de verschillende inspanningen en strevingen, en ten slotte – de Allerhoogste Ziel, die alles overziet en toestemming geeft. Deze vijf factoren bepalen samen de uitkomst van elke actie.

18-15

Alle acties die een mens verricht met lichaam, geest of spraak, rechtvaardig of onrechtvaardig, worden veroorzaakt door deze vijf oorzaken.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat alle acties die een mens verricht met lichaam, geest of spraak, afhankelijk zijn van de eerder genoemde vijf oorzaken. Of deze acties nu rechtvaardig of onrechtvaardig zijn, ze worden allemaal bepaald door de interactie van deze vijf factoren.

18-16

Daarom is degene die zichzelf als de enige dader beschouwt, zonder rekening te houden met deze vijf oorzaken, niet intelligent en ziet de dingen niet zoals ze werkelijk zijn.

Uitleg: In dit vers geeft Krishna aan dat degene die zichzelf als de enige dader beschouwt en geen rekening houdt met de vijf oorzaken van actie, niet intelligent is en de dingen niet ziet zoals ze werkelijk zijn. Zo iemand is verwaand en begrijpt de ware aard van actie niet, omdat hij zich er niet van bewust is dat er bij elke actie veel factoren betrokken zijn, niet alleen zijn eigen wil.

18-17

Wie niet handelt uit ijdelheid, wiens intelligentie niet gebonden is, doodt, zelfs als hij in deze wereld doodt, niet. Hij wordt niet gebonden door de gevolgen van zijn acties.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat iemand die handelt zonder ijdelheid en wiens intelligentie niet gehecht is aan de vruchten van de actie, vrij blijft van de gevolgen van de actie, zelfs als hij iemand moet doden, bijvoorbeeld bij het uitvoeren van zijn plicht op het slagveld. Zo iemand handelt zonder egoïsme en beseft dat hij niet de werkelijke uitvoerder van de actie is, maar slechts een instrument in Gods handen.

18-18

Kennis, het object van kennis en de kenner zijn de drie drijfveren van actie. De zintuigen, het werk en de dader zijn de drie bestanddelen van actie.

Uitleg: In dit vers legt Krishna de drie drijfveren van actie uit – kennis, het object van kennis en de kenner, evenals de drie bestanddelen van actie – de zintuigen, het werk zelf en de dader. Deze zes elementen zijn nauw met elkaar verbonden en bepalen de aard en de uitkomst van elke actie. Kennis inspireert tot actie, het object van kennis is waar de actie op gericht is, en de kenner is degene die de actie uitvoert. De zintuigen zijn de instrumenten, het werk is de actie zelf en de dader is degene die het uitvoert.

18-19

Overeenkomstig de drie hoedanigheden van de materiële natuur zijn er ook drie soorten kennis, activiteit en handelende persoon. Luister naar de beschrijving daarvan.

Uitleg: In dit vers legt Kṛṣṇa uit dat er overeenkomstig de drie hoedanigheden van de materiële natuur (goedheid, hartstocht en onwetendheid) ook drie soorten kennis, activiteit en handelende persoon zijn. Hij nodigt Arjuna uit om nader te luisteren naar de uitleg over hoe deze hoedanigheden kennis, activiteit en de handelende persoon zelf beïnvloeden.

18-20

De kennis waarmee men in alle wezens één ondeelbare spirituele natuur ziet, hoewel die in talloze delen is verdeeld, is kennis in de hoedanigheid goedheid.

Uitleg: In dit vers beschrijft Kṛṣṇa kennis die overeenkomt met de hoedanigheid goedheid. Deze kennis stelt iemand in staat om in alle levende wezens één ondeelbare spirituele natuur te zien, ondanks hun uiterlijke diversiteit en verschil in vorm. Iemand met deze kennis is zich bewust van de spirituele eenheid van alle wezens en hun band met het Goddelijke.

18-21

De kennis met behulp waarvan men ziet dat er in verschillende lichamen verschillende levende wezens verblijven, is kennis in de hoedanigheid hartstocht.

Uitleg: In dit vers beschrijft Kṛṣṇa kennis die overeenkomt met de hoedanigheid hartstocht. Deze kennis stelt iemand in staat om verschillen te zien tussen levende wezens, waarbij wordt benadrukt dat in elk lichaam een andere ziel woont. Deze kennis is beperkt omdat ze niet in staat is om de spirituele eenheid van alle wezens te zien, maar zich concentreert op uiterlijke verschillen.

18-22

En de kennis die iemand ertoe brengt zich vast te klampen aan één onbeduidende vorm van werk als de enige belangrijke, zonder de waarheid te begrijpen, is kennis in de hoedanigheid duisternis.

Uitleg: In dit vers beschrijft Kṛṣṇa kennis die overeenkomt met de hoedanigheid onwetendheid of duisternis. Dergelijke kennis is zeer beperkt en versmalt iemands blikveld, waardoor men zich vastklampt aan één onbeduidende vorm van werk als de enige belangrijke, zonder de waarheid te begrijpen en het grote geheel te zien. Deze kennis is gebaseerd op onwetendheid en spirituele duisternis.

18-23

Wanneer een activiteit die een plicht is, wordt verricht zonder gehechtheid, zonder liefde of haat, zonder de wens vruchten te plukken, dan is die in de hoedanigheid goedheid.

Uitleg: In dit vers beschrijft Kṛṣṇa activiteit die overeenkomt met de hoedanigheid goedheid. Een dergelijke activiteit wordt verricht uit plichtsbesef, zonder gehechtheid, zonder sterke emoties zoals liefde of haat jegens iemand, en zonder de wens om vruchten of persoonlijk gewin te verkrijgen. Het is onbaatzuchtig en gebaseerd op een spiritueel plichtsbesef.

18-24

Maar een activiteit die met grote inspanning wordt verricht om de eigen verlangens te bevredigen en die voortkomt uit een vals ego, wordt activiteit in de hoedanigheid hartstocht genoemd.

Uitleg: In dit vers beschrijft Kṛṣṇa activiteit die overeenkomt met de hoedanigheid hartstocht. Een dergelijke activiteit wordt met grote inspanning en moeite verricht om de eigen verlangens en ambities te bevredigen. De basis ervan is een vals ego, ofwel een ingebeelde zelfidentificatie, die iemand ertoe brengt zichzelf als een lichaam te beschouwen en te handelen op basis van materiële verlangens.

18-25

En een activiteit die in duisternis en onwetendheid wordt verricht, zonder rekening te houden met de aanwijzingen van de heilige schriften, noch met toekomstige gevolgen, noch met geweld of schade die aan anderen wordt toegebracht, wordt beschouwd als activiteit in de hoedanigheid onwetendheid.

Uitleg: In dit vers beschrijft Kṛṣṇa activiteit die overeenkomt met de hoedanigheid onwetendheid of duisternis. Een dergelijke activiteit wordt verricht in onwetendheid en duisternis, zonder rekening te houden met de aanwijzingen van de heilige schriften, noch met toekomstige gevolgen voor zichzelf en anderen. Ze is destructief en houdt verband met geweld en het toebrengen van schade aan anderen, omdat ze is gebaseerd op volledig spiritueel onbewustzijn.

18-26

Iemand die zijn plicht vervult zonder gehecht te zijn aan de materiële hoedanigheden, zonder een vals ego, met grote vastberadenheid en enthousiasme, en die gelijkmoedig blijft in geval van succes of mislukking, handelt in de hoedanigheid goedheid.

Uitleg: In dit vers beschrijft Kṛṣṇa een persoon die werkt in de hoedanigheid goedheid. Zo iemand vervult zijn plicht zonder gehechtheid aan het resultaat, zonder egoïsme, met grote vastberadenheid en enthousiasme, en behoudt rust en evenwicht in geval van succes of mislukking. Zijn handelen is gebaseerd op puur spiritueel bewustzijn en het vervullen van de plicht.

18-27

De handelende persoon die gehecht is aan activiteit en haar vruchten, die van deze vruchten wil genieten, die hebzuchtig is, altijd jaloers, onzuiver en beïnvloed wordt door vreugde en verdriet, handelt in de hoedanigheid hartstocht.

Uitleg: In dit vers beschrijft Kṛṣṇa een persoon die werkt in de hoedanigheid hartstocht. Zo'n handelende persoon is gehecht aan activiteit en haar vruchten, wil van deze vruchten genieten, is hebzuchtig, jaloers, onzuiver en onderhevig aan sterke emoties – vreugde en verdriet. Zijn handelen is gebaseerd op egoïstische verlangens en het verwerven van materiële voordelen.

18-28

En de handelende persoon die altijd handelt in strijd met de aanwijzingen van de heilige schriften, die materialistisch is, koppig, bedrieglijk en anderen kan beledigen, die lui is, altijd somber en alles uitstelt, handelt in de hoedanigheid duisternis.

Uitleg: In dit vers beschrijft Kṛṣṇa een persoon die werkt in de hoedanigheid onwetendheid of duisternis. Zo'n handelende persoon handelt altijd in strijd met de aanwijzingen van de heilige schriften, is materialistisch, koppig, bedrieglijk en kan anderen beledigen. Hij is lui, altijd somber, pessimistisch en stelt alles uit. Zijn handelen is gebaseerd op onwetendheid en spirituele duisternis.

18-29

O veroveraar van rijkdom, luister nu, alsjeblieft, hoe Ik in detail de drie soorten intelligentie en vastberadenheid beschrijf, overeenkomstig de drie hoedanigheden van de materiële natuur.

Uitleg: In dit vers vraagt Krishna Arjuna om te luisteren naar een gedetailleerdere uitleg over hoe intelligentie en vastberadenheid zich manifesteren op drie verschillende manieren, overeenkomstig de drie hoedanigheden van de materiële natuur – goedheid, hartstocht en onwetendheid. Dit inzicht zal helpen de verscheidenheid aan menselijk handelen en motivaties beter te begrijpen.

18-30

O Pārtha, intelligentie die het mogelijk maakt te begrijpen wat gedaan moet worden en wat niet, waarvoor gevreesd moet worden en waarvoor niet, wat bindt en wat bevrijdt, bevindt zich in de hoedanigheid goedheid.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna intelligentie die overeenkomt met de hoedanigheid goedheid. Dergelijke intelligentie helpt een persoon duidelijk te onderscheiden wat gedaan moet worden en wat niet, waarvoor gevreesd moet worden en waarvoor niet, wat bindt en wat bevrijdt. Intelligentie in de hoedanigheid goedheid is zuiver, harmonieus en gericht op spiritueel begrip.

18-31

O Pārtha, intelligentie die geen onderscheid kan maken tussen plicht en wat geen plicht is, tussen wat gedaan moet worden en wat niet, bevindt zich in de hoedanigheid hartstocht.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna intelligentie die overeenkomt met de hoedanigheid hartstocht. Dergelijke intelligentie kan geen duidelijk onderscheid maken tussen plicht en wat geen plicht is, en staat niet toe dat een persoon precies begrijpt wat gedaan moet worden en wat niet. Intelligentie beïnvloed door hartstocht is onstabiel, tegenstrijdig en gericht op het bevredigen van materiële verlangens.

18-32

Intelligentie die onder invloed van duisternis en illusie onwaarheid als waarheid beschouwt en waarheid als onwaarheid, en die altijd naar de verkeerde kant neigt, o Pārtha, bevindt zich in de hoedanigheid onwetendheid.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna intelligentie die overeenkomt met de hoedanigheid onwetendheid, of duisternis. Dergelijke intelligentie is volledig verduisterd en misleidend, waarbij onwaarheid als waarheid wordt beschouwd en omgekeerd. Het neigt altijd naar de verkeerde kant, omdat het de realiteit niet van de illusie kan onderscheiden en zich in een staat van spirituele onwetendheid bevindt.

18-33

O Pārtha, onwrikbare vastberadenheid, die wordt behouden door voortdurende beoefening van goddelijke kracht, waardoor de activiteiten van de geest, de levenskracht en de zintuigen worden bedwongen, bevindt zich in de hoedanigheid goedheid.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna vastberadenheid die overeenkomt met de hoedanigheid goedheid. Dergelijke vastberadenheid is onwrikbaar en wordt behouden door voortdurende beoefening van goddelijke kracht, wat helpt de activiteiten van de geest, de levenskracht en de zintuigen te bedwingen. Deze vastberadenheid is gericht op een spiritueel doel en helpt innerlijke vrede en evenwicht te bewaren.

18-34

Maar vastberadenheid waarmee men streeft naar de vruchten van handelingen, o Arjuna, om genoegens te verkrijgen, bevindt zich in de hoedanigheid hartstocht.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna vastberadenheid die overeenkomt met de hoedanigheid hartstocht. Dergelijke vastberadenheid is gericht op het verkrijgen van de vruchten van handelingen, en een persoon met dergelijke vastberadenheid handelt om materiële resultaten te bereiken en persoonlijk voordeel te behalen. Deze vastberadenheid is verbonden met verlangens en gehechtheid, en is niet werkelijk spiritueel.

18-35

En die vastberadenheid die niet toestaat om boven dromen, angst, verdriet, een sombere stemming en illusies uit te stijgen – zo'n dwaze vastberadenheid, o Pārtha, bevindt zich in de hoedanigheid duisternis.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna vastberadenheid die overeenkomt met de hoedanigheid onwetendheid, of duisternis. Dergelijke vastberadenheid is verbonden met dromen, angst, verdriet, een sombere stemming en illusies. Het staat een persoon niet toe om boven beperkende ideeën en negatieve emoties uit te stijgen, en is dwaas omdat het is gebaseerd op onwetendheid en spirituele duisternis.

18-36

O beste der Bharata's, luister nu van Mij over de drie soorten geluk die de beperkte ziel geniet en die haar in staat stellen zich van alle ellende te bevrijden.

Uitleg: In dit vers vraagt Krishna Arjuna om te luisteren naar Zijn uitleg over de drie soorten geluk die de ziel kan ervaren terwijl ze zich in de materiële wereld bevindt. Dit geluk is afhankelijk van de hoedanigheden die de ziel beïnvloeden en kan leiden tot het stoppen van lijden en bevrijding.

18-37

Geluk dat in het begin als vergif is, maar aan het eind als de drank van onsterfelijkheid, en dat de mens tot zelfrealisatie brengt, bevindt zich in de hoedanigheid goedheid.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna geluk dat overeenkomt met de hoedanigheid goedheid. Zulk geluk kan in het begin onaangenaam lijken, als vergif, omdat het het opgeven van de gebruikelijke verlangens en gehechtheden vereist. Aan het eind geeft het echter ware voldoening en bevrijding, als de drank van onsterfelijkheid, en helpt het de mens zijn ware, spirituele aard te ontwaken, wat leidt tot zelfrealisatie.

18-38

Geluk dat voortkomt uit het contact van de zintuigen met hun objecten en dat in het begin als een drank lijkt, maar aan het eind vergif wordt, hoort bij de hoedanigheid hartstocht.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna geluk dat overeenkomt met de hoedanigheid hartstocht, dat voortkomt uit het contact van de zintuigen met hun objecten, d.w.z. uit zintuiglijke genoegens, en in het begin heel aangenaam lijkt, als nectar, maar aan het eind vergif wordt, omdat het gehechtheid, lijden en afhankelijkheid van externe omstandigheden veroorzaakt, en dit geluk is van korte duur en illusoir.

18-39

En het geluk dat blind is voor zelfrealisatie, dat van begin tot eind misleidend is en voortkomt uit slaap, luiheid en bedrog, correspondeert met de aard van onwetendheid.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna het geluk dat overeenkomt met de aard van onwetendheid of duisternis, dat blind is voor zelfrealisatie en spirituele waarden, van begin tot eind misleidend is en voortkomt uit slaap, luiheid en bedrog, en dit geluk is illusoir en leidt tot spirituele degradatie, omdat het gebaseerd is op onwetendheid en inertie.

18-40

Er is geen wezen, noch op aarde, noch in de hemel onder de goden, dat vrij is van deze drie hoedanigheden van de natuur (karaktereigenschappen).

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat de drie hoedanigheden van de natuur of karaktereigenschappen – goedheid, hartstocht en onwetendheid – in alle wezens aanwezig zijn en dat niemand vrij is van hun invloed, noch mensen, noch goden. Deze hoedanigheden vormen de basis van het materiële bestaan en alle levende wezens, ongeacht hun status, worden erdoor beïnvloed, en dat men alleen door deze hoedanigheden te overwinnen, bevrijding kan bereiken van de banden van de materiële wereld. • Er is geen enkel wezen dat vrij is van karaktereigenschappen: Dit vers geeft aan dat alle wezens – zowel op aarde als in de hemel, inclusief goddelijke wezens – onderhevig zijn aan de invloed van deze drie guna's. Deze karaktereigenschappen vormen de basis van het materiële bestaan en alle levende wezens, ongeacht hun status, worden erdoor beïnvloed. • Drie hoedanigheden van de natuur of karaktereigenschappen: Goedheid, hartstocht en onwetendheid bepalen het gedrag, de gedachten en de acties van elk wezen. Deze hoedanigheden beïnvloeden hoe een persoon de wereld waarneemt, hoe hij handelt en hoe hij zich spiritueel ontwikkelt. Zelfs goden, die hoger zijn dan mensen, zijn niet volledig vrij van de invloed van deze hoedanigheden. • De beperking van alle wezens in de materiële wereld: Krishna legt uit dat zolang een wezen zich in de materiële wereld bevindt, het onderhevig is aan de invloed van deze hoedanigheden. Alleen door deze hoedanigheden te overwinnen, kan een persoon bevrijding bereiken van de banden van de materiële wereld.

18-41

Brahmanen, kshatriya's, vaishya's en shudra's verschillen in eigenschappen die inherent zijn aan hun natuur en die zijn voortgekomen uit de drie hoedanigheden van de materiële natuur.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat de verdeling van de samenleving in vier groepen of posities – brahmanen (priesters en leraren), kshatriya's (heersers en krijgers), vaishya's (handelaren en boeren) en shudra's (arbeiders en bedienden) – niet kunstmatig is, maar gebaseerd is op de eigenschappen van elke groep die voortkomen uit de drie hoedanigheden van de materiële natuur. Elke groep heeft zijn eigen natuurlijke aanleg en verantwoordelijkheden die overeenkomen met zijn innerlijke wezen.

18-42

Vrede, zelfbeheersing, ascese, zuiverheid, geduld, eerlijkheid, kennis, wijsheid en religiositeit zijn de natuurlijke eigenschappen die bij het werk van brahmanen horen.

Uitleg: In dit vers somt Krishna de eigenschappen op die horen bij brahmanen – de spirituele en intellectuele groep van de samenleving. Het is de plicht van brahmanen om heilige geschriften te bestuderen, religieuze rituelen uit te voeren, spirituele leiding te geven en te leven volgens hoge morele principes.

18-43

Heldenmoed, kracht, vastberadenheid, bekwaamheid, moed in de strijd, vrijgevigheid en het vermogen om te regeren zijn de natuurlijke eigenschappen en plichten van kshatriya's.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna de eigenschappen en plichten van kshatriya's (heersers en krijgers) die voortkomen uit hun natuur. Deze plichten zijn gebaseerd op moed, kracht en leiderschapsvaardigheden die nodig zijn om de samenleving te beschermen en gerechtigheid te handhaven. • Heldenmoed en kracht: Kshatriya's moeten heldhaftig en moedig zijn om de samenleving te beschermen en te strijden voor gerechtigheid. Ze moeten begiftigd zijn met fysieke en mentale kracht die hen in staat stelt ontberingen te doorstaan. • Vastberadenheid en bekwaamheid: Kshatriya's moeten vastberaden en bekwaam zijn om snelle en wijze beslissingen te nemen, zowel in de strijd als in het bestuur van de samenleving. Deze eigenschap is essentieel voor het succesvol leiden en beschermen van de samenleving. • Moed in de strijd: Kshatriya's mogen nooit vluchten voor de strijd, ze moeten bereid zijn de vijand tegemoet te treden en de waarheid te verdedigen, zelfs ten koste van hun leven. Moed en vastberadenheid zijn essentieel in hun karakter. • Vrijgevigheid en het vermogen om te regeren: Kshatriya's moeten vrijgevig zijn, hun middelen delen met anderen en zorgen voor het welzijn van de samenleving. Ze moeten ook leiderschapskwaliteiten bezitten, omdat ze de samenleving leiden en beschermen met rechtvaardigheid en wijsheid.

18-44

Landbouw, het beschermen van koeien en handel zijn natuurlijk werk voor vaishya's, en voor shudra's is het natuurlijk om fysiek werk te verrichten en anderen te dienen.

Uitleg: In dit vers noemt Krishna de plichten van vaishya's en shudra's. Vaishya's houden zich bezig met landbouw, het beschermen van koeien en handel, en zorgen voor het economische welzijn van de samenleving. Shudra's verrichten fysiek werk en dienen anderen, en bieden praktische steun en hulp. Deze verantwoordelijkheden komen overeen met de natuurlijke aanleg en vaardigheden van elke groep.

18-45

Wanneer een persoon zich wijdt aan zijn plichten, bereikt hij volmaaktheid. Luister nu naar Mij hoe men volmaaktheid kan bereiken door zijn werk te doen.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat volmaaktheid en spirituele ontwikkeling worden bereikt door je plichten met toewijding en vastberadenheid te vervullen. Een persoon moet zichzelf wijden aan zijn plichten en werken in overeenstemming met zijn aard om volmaaktheid te bereiken, en dat elk werk, mits met verantwoordelijkheid en toewijding uitgevoerd, kan leiden tot spirituele groei. • Toewijding aan zijn plichten: Ieder mens kan volmaaktheid bereiken als hij zich volledig wijdt aan zijn werk en plichten. Dit betekent dat elk werk, mits met verantwoordelijkheid en toewijding uitgevoerd, kan leiden tot spirituele groei. • Het bereiken van volmaaktheid: De volmaaktheid die Krishna hier noemt, betekent niet alleen materieel succes, maar ook spirituele groei en innerlijke ontwikkeling. Wanneer een persoon zijn rol in het leven aanneemt en zijn plichten met een bewuste houding vervult, komt hij dichter bij spirituele volmaaktheid. • Luister hoe je dit kunt bereiken: Krishna geeft aan dat er een manier is om volmaaktheid te bereiken door middel van je werk, en hij staat op het punt uit te leggen hoe dit mogelijk is. Dit vers dient als een inleiding op de verdere instructies over hoe dagelijkse plichten een weg naar spirituele groei kunnen worden.

18-46

Door Hem te aanbidden van wie alle wezens afkomstig zijn en die alomtegenwoordig is, kan een persoon door het vervullen van zijn plicht volmaaktheid bereiken.

Uitleg: In dit vers wijst Krishna erop dat een persoon volmaaktheid kan bereiken door zijn plicht te vervullen en God te aanbidden, van wie alle wezens afkomstig zijn en die alomtegenwoordig is. Dit betekent dat men, door zijn plichten te vervullen met het besef dat God in alle acties aanwezig is, spirituele volmaaktheid kan bereiken.

18-47

Het is beter om je eigen plicht te vervullen, al is het onvolmaakt, dan de plicht van een ander goed te vervullen. Door de plicht te vervullen die overeenkomt met iemands eigen natuur, begaat men nooit zonde.

Uitleg: In dit vers benadrukt Krishna dat het beter is om je eigen plicht te vervullen, ook al is die onvolmaakt, dan de plicht van iemand anders goed te vervullen. Ieder mens heeft zijn eigen individuele aard en bijbehorende plicht, en door zijn eigen weg te volgen, vervalt een persoon niet in zonde, d.w.z. hij handelt niet in strijd met zijn eigen wezen en de Goddelijke wil.

18-48

Aan elke actie kleven gebreken, zoals vuur door rook wordt bedekt. Daarom, o zoon van Kuntī, moet niemand het werk opgeven dat overeenkomt met zijn aangeboren natuur, zelfs niet als dat werk gebreken vertoont.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat aan elke actie, zelfs de beste, gebreken kleven, net zoals vuur altijd door rook wordt vergezeld. Daarom moet niemand het werk opgeven dat overeenkomt met zijn aangeboren natuur, zelfs niet als dat werk gebreken vertoont, omdat het belangrijk is om je plicht te vervullen in overeenstemming met je natuur, en niet om een ideale maar onvolmaakte actie te zoeken.

18-49

Wie zichzelf kan beheersen, is bevrijd van gehechtheid en houdt geen rekening met materiële voordelen, kan door alles op te geven de hoogste graad van perfectie bereiken: vrijheid van de gevolgen van handelingen.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna het pad naar de hoogste graad van perfectie - vrijheid van de gevolgen van handelingen, of karma. Wie zichzelf kan beheersen, is bevrijd van gehechtheid aan materiële genoegens en verlangens, kan, door alles op te geven, d.w.z. egoïstisch handelen, deze staat bereiken, en dat zo'n afstand niet passiviteit is, maar bewuste actie zonder gehechtheid aan het resultaat.

18-50

O, zoon van Kuntī, verneem van Mij hoe men, door deze perfectie te bereiken, tot de Hoogste Waarheid kan komen, tot het Goddelijke bewustzijn, wat de hoogste weg van kennis is - Ik zal het je nu in het kort vertellen.

Uitleg: In dit vers nodigt Krishna Arjuna uit om te leren hoe men, door de eerder beschreven graad van perfectie te bereiken, tot de Hoogste Waarheid, tot het Goddelijke bewustzijn kan komen. Hij zal in het kort vertellen over deze hoogste weg van kennis die leidt tot spirituele bevrijding en eenheid met het Goddelijke.

18-51

Door zijn verstand te zuiveren en resoluut de geest te beheersen, afstand te doen van zinsbevrediging, zich te bevrijden van gehechtheid en haat.

Uitleg: In dit vers begint Krishna het pad naar het bereiken van Goddelijk bewustzijn uit te leggen. Het begint met het zuiveren van het verstand van valse voorstellingen en gehechtheden, met resoluut de geest te beheersen, afstand te doen van zinsbevrediging, wat de ziel bindt aan de materiële wereld, en zich te bevrijden van gehechtheid en haat, wat uitingen zijn van een dualistisch, egoïstisch bewustzijn.

18-52

Afgezonderd leven, weinig eten, lichaam, geest en spraak beheersen, voortdurend in contemplatie verzinken, in een staat van onthechting zijn.

Uitleg: In dit vers vervolgt Krishna de uitleg van het pad naar het bereiken van Goddelijk bewustzijn. Het omvat het leven in afzondering om onnodige afleidingen te vermijden, matig eten, het beheersen van lichaam, geest en spraak, voortdurend verzinken in spirituele contemplatie en het handhaven van een staat van onthechting, wat vrijheid van materiële verlangens en gehechtheden betekent.

18-53

En door bevrijd te worden van vals ego, valse macht, valse trots, lust, woede, het accepteren van onechte zaken, van een gevoel van bezit, van bedrog, door vredig te worden - zo'n persoon is ongetwijfeld opgeklommen tot het niveau van zelfrealisatie.

Uitleg: In dit vers voltooit Krishna de uitleg van de eigenschappen en toestanden die nodig zijn om Goddelijk bewustzijn te bereiken. Een persoon moet zich bevrijden van vals ego, valse macht en trots, van lust, woede en het misleiden van materiële zaken. Hij moet zich bevrijden van het gevoel van bezit en vredig worden. Zo'n persoon is ongetwijfeld opgeklommen tot het niveau van het besef van zichzelf als een eeuwige, spirituele ziel.

18-54

Wie zich in deze transcendente staat bevindt, bereikt onmiddellijk de Hoogste Waarheid. Hij is nooit verdrietig en wil niets verwerven. Hij staat gelijkmoedig tegenover alle levende wezens. In deze staat bereikt hij zuivere spirituele dienstbaarheid aan Mij.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna de staat die wordt bereikt door een persoon die naar het transcendente niveau is opgeklommen. Hij bereikt onmiddellijk de Hoogste Waarheid, d.w.z. Goddelijk bewustzijn, is nooit verdrietig en wil niets verwerven, omdat hij volledig tevreden is in het spirituele bestaan, en staat gelijkmoedig tegenover alle levende wezens, omdat hij in hen de spirituele vonk ziet. In deze staat bereikt hij zuivere spirituele dienst aan God, wat het hoogste doel van het spirituele leven is.

18-55

Mij als de Allerhoogste Persoon kan men alleen kennen door spirituele dienstbaarheid. Wanneer een persoon dankzij zo'n toewijding Mij volledig beseft, kan hij het Goddelijke koninkrijk binnengaan.

Uitleg: In dit vers benadrukt Krishna dat Hij als de Allerhoogste Persoon alleen kan worden gekend door toegewijde spirituele dienst, wat het pad van liefde en overgave is. Dankzij zo'n toewijding en dienstbaarheid beseft een persoon Krishna volledig en kan hij het Goddelijke koninkrijk binnengaan, d.w.z. spirituele bevrijding en eenheid met God bereiken.

18-56

Hoewel Mijn zuivere aanbidder betrokken is bij de meest uiteenlopende activiteiten, bereikt hij met Mijn bescherming, door Mijn genade, de eeuwige en onverwoestbare woonplaats.

Uitleg: In dit vers verzekert Krishna dat zelfs als Zijn zuivere aanbidder betrokken is bij de meest uiteenlopende wereldse activiteiten, hij met Krishna's bescherming en genade de eeuwige en onverwoestbare spirituele woonplaats bereikt. Dit betekent dat ware spirituele dienstbaarheid en vertrouwen op God het mogelijk maken om bevrijding te bereiken, ongeacht uiterlijke activiteiten.

18-57

Vertrouw in alle activiteiten eenvoudigweg op Mij en handel altijd onder Mijn bescherming. Wees in zo'n dienst van toewijding volledig bewust van Mij.

Uitleg: In dit vers nodigt Krishna Arjuna en alle mensen uit om in alle activiteiten volledig op Hem te vertrouwen en altijd onder Zijn bescherming te handelen, d.w.z. met het besef dat God de ware uitvoerder en genieter van alle activiteiten is. Zo'n dienst vol vertrouwen betekent een volledig Godsbewustzijn en handelen in overeenstemming met Zijn wil.

18-58

Als je je Mij bewust zult zijn, zul je met Mijn genade alle obstakels van het beperkte bestaan overwinnen. Echter, als je niet met zo'n bewustzijn handelt, maar met een vals ego, door niet naar Mij te luisteren, zul je verloren zijn.

Uitleg: In dit vers wijst Krishna duidelijk op de gevolgen als een persoon zich bewust is van God of handelt in overeenstemming met een vals ego. Als een persoon zich Krishna bewust is en met overgave aan Hem handelt, zal hij met Krishna's genade alle obstakels van het beperkte, materiële bestaan overwinnen, maar als een persoon handelt met een vals ego, door niet naar Krishna's instructies te luisteren, zal hij verloren zijn, d.w.z. in de greep van het lijden van de materiële wereld blijven.

18-59

Als je Mijn aanwijzingen niet opvolgt en niet vecht, dan handel je verkeerd. Door je aard zul je in de strijd worden getrokken.

Uitleg: In dit vers waarschuwt Krishna Arjuna dat hij verkeerd zal handelen als hij weigert Krishna's aanwijzingen op te volgen en niet aan de strijd deelneemt. Arjuna's aard als kshatriya (krijger) zal hem hoe dan ook dwingen deel te nemen aan de strijd, omdat dat zijn plicht en lot is, en dat Arjuna in tegenspraak met zijn aard en de Goddelijke wil zal komen als hij zijn plicht weigert.

18-60

O zoon van Kuntī (Arjuna)! Je bent gebonden aan je karakter en plichten. Zelfs als je ze nu door illusie niet wilt vervullen, zul je ze uiteindelijk doen, zelfs tegen je zin in.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit hoe iemands aard en karakter zijn daden zullen bepalen, ongeacht zijn wensen en illusies. Arjuna is gebonden aan zijn karakter en plichten als kshatriya, en zelfs als hij ze nu door illusie niet wil vervullen, zal hij ze uiteindelijk doen, zelfs tegen zijn zin in, omdat dat zijn aangeboren aard is. • Gebonden aan zijn aard: Het karakter van een mens, zijn natuurlijke eigenschappen en capaciteiten, komen voort uit zijn aard, die in vele levenscycli is gevormd. Ieder mens wordt bepaald door zijn karaktertrekken, die zijn handelingen en plichten in dit leven bepalen. • Handelen is onvermijdelijk: Een mens is gebonden aan zijn plichten en werken die voortvloeien uit zijn karakter en aard. Hij kan zich er niet volledig van ontdoen, omdat ze onvermijdelijk zijn. Zelfs als iemand probeert zijn plichten te ontwijken, zal zijn aard hem uiteindelijk dwingen te handelen. • Illusie en onwil: Illusie is een geestestoestand waarin iemand de ware realiteit niet begrijpt. Arjuna's twijfels en onwil om te vechten komen voort uit zijn verwarring en illusie. Maar zelfs in deze toestand kan hij zijn plicht niet ontlopen. • Handelen tegen je zin in: Zelfs als iemand met tegenzin weigert zijn plichten te vervullen, zullen zijn aard en lot hem uiteindelijk dwingen te handelen in overeenstemming met zijn plichten. De natuur is sterker dan de wil van de mens en zal zijn handelen bepalen.

18-61

De Allerhoogste Heer bevindt zich in het hart van iedereen, o Arjuna, en leidt de gang van alle wezens die zich in het mechanisme van de materie bevinden.

Uitleg: In dit vers onthult Krishna dat de Allerhoogste Heer, God, zich in ieders hart bevindt als de Superziel en de gang van alle levende wezens leidt die zich in de materiële wereld bevinden. De levende wezens zijn als marionetten in het mechanisme van de materiële natuur en God is degene die hun lot stuurt en bepaalt.

18-62

O nakomeling van Bharata, geef je volledig aan Hem over. Door Zijn genade zul je transcendentale vrede en de hoogste, eeuwige verblijfplaats bereiken.

Uitleg: In dit vers roept Krishna Arjuna op zich volledig over te geven aan God, die in zijn hart woont. Met Gods genade zal Arjuna transcendentale vrede kunnen bereiken, die vrij is van het lijden van de materiële wereld, en de hoogste, eeuwige spirituele verblijfplaats, die de toestand van spirituele bevrijding en volmaaktheid is.

18-63

Zo heb Ik je kennis uitgelegd die nog geheimer is. Denk erover na en handel zoals je wilt.

Uitleg: In dit vers beëindigt Krishna zijn leer door Arjuna kennis te onthullen die nog geheimer is, d.w.z. de belangrijkste en meest essentiële spirituele inzichten. Hij roept Arjuna op om zorgvuldig na te denken over alles wat hij heeft gehoord en vervolgens te handelen in overeenstemming met zijn vrije wil, waarbij hij de verantwoordelijkheid voor zijn keuze neemt.

18-64

Omdat je Mijn zeer dierbare vriend bent, zal Ik je de meest geheime kennis onthullen. Luister ernaar van Mij, want het is voor jouw bestwil.

Uitleg: In dit vers benadrukt Krishna nogmaals zijn liefde voor Arjuna en legt uit dat Hij Arjuna de meest geheime kennis zal onthullen, die bedoeld is voor Arjuna's bestwil. Deze liefde en zorg voor Arjuna's spirituele welzijn is de reden waarom Krishna zulke diepe spirituele inzichten deelt.

18-65

Denk altijd aan Mij, word Mijn vereerder, aanbid Mij en buig je voor Mij neer. Zo zul je zeker tot Mij komen. Ik beloof het je, want je bent Mijn dierbare vriend.

Uitleg: In dit vers herinnert Krishna Arjuna nogmaals aan de essentie van spirituele dienstbaarheid: altijd aan God denken, Zijn vereerder worden, Hem aanbidden en voor Hem neerbuigen. Deze spirituele weg, gebaseerd op liefde en overgave, garandeert dat een persoon tot God zal komen. Krishna benadrukt dit in het bijzonder omdat Arjuna Zijn dierbare vriend is.

18-66

Laat alle andere plichten varen en zoek alleen bij Mij je toevlucht. Ik zal je van alle zonden bevrijden, wees daarom niet bedroefd en maak je geen zorgen.

Uitleg: Dit vers is Krishna's belangrijkste instructie en oproep tot volledige afhankelijkheid en overgave aan God: • Laat alle plichten varen: Krishna roept Arjuna op om zich te ontdoen van alle plichten die verband houden met sociale en religieuze normen. Dit betekent niet het negeren van morele principes, maar roept op te stoppen met het identificeren met externe verplichtingen en je leven volledig aan God te wijden. Het oorspronkelijke woord is "dharma's", wat niet alleen plichten betekent, maar ook religies, gerechtigheid en andere principes. Daarom zou deze zin ook vertaald kunnen worden als "Laat alle vormen van religie varen" of "Laat alle andere vormen van gerechtigheid varen". Dit zou helpen de diepere betekenis van de zin beter te begrijpen, die oproept tot volledig vertrouwen op God, dat verder gaat dan externe rituelen en sociale normen. • Zoek alleen bij Mij je toevlucht: Krishna roept Arjuna en alle volgelingen op om zich alleen aan God te wijden. Dit betekent volledig vertrouwen en geloven in Gods leiding. Een persoon hoeft zich geen zorgen meer te maken over zijn plichten of moeilijkheden als hij God volledig vertrouwt en Zijn aanwijzingen volgt. • Ik zal je van alle zonden bevrijden: Krishna belooft dat als een persoon zich aan God overgeeft, God hem zal bevrijden van alle zonden en gevolgen. Dit betekent dat vertrouwen op God iemands daden zuivert en hem spiritueel bevrijdt van materieel lijden en gehechtheid. • Wees niet bedroefd: Krishna troost Arjuna en alle volgelingen zodat ze niet bedroefd of bezorgd hoeven te zijn. Volledig vertrouwen op God geeft vrede en zekerheid, omdat God altijd aanwezig is en degenen beschermt die op Hem vertrouwen.

18-67

Deze geheime kennis mag niet worden uitgelegd aan hen die zich niet aan ascese hebben overgegeven, niet trouw zijn, zich niet bezighouden met spirituele dienstbaarheid, of aan hen die Mij benijden.

Uitleg: In dit vers geeft Krishna aan aan wie deze diepe spirituele en geheime kennis niet mag worden uitgelegd. Het is niet bedoeld voor degenen die zich niet hebben overgegeven aan spirituele oefening (ascese), die niet trouw zijn aan God, zich niet bezighouden met spirituele dienstbaarheid of God en spiritueel ontwikkelde mensen benijden, en dat deze kennis alleen moet worden doorgegeven aan degenen die bereid zijn deze met een open hart en geest te accepteren.

18-68

Degene die dit allerhoogste geheim aan Mijn vereerders leert, is verzekerd van zuivere spirituele dienstbaarheid, en zal uiteindelijk zeker tot Mij terugkeren.

Uitleg: In dit vers belooft Krishna dat degene die dit allerhoogste geheim, d.w.z. de leer van de Bhagavad Gita, aan Zijn toegewijden leert, zeker zuivere spirituele dienstbaarheid zal bereiken en uiteindelijk zal terugkeren tot God, in de spirituele wereld. Deze dienstbaarheid, het verspreiden van spirituele kennis, wordt zeer hoog aangeschreven en leidt tot spirituele bevrijding.

18-69

In deze wereld is er geen dienaar die Mij dierbaarder is dan hij, en er zal nooit iemand dierbaarder zijn.

Uitleg: In dit vers benadrukt Krishna nogmaals hoezeer Hij degenen waardeert die spirituele kennis verspreiden. Er is in deze wereld geen dienaar die Hem dierbaarder is dan degene die de leer van de Bhagavad Gita aan anderen onderwijst, en Krishna verklaart dat er nooit iemand zal zijn die Hij liever zal hebben dan zo iemand.

18-70

En Ik verklaar dat degene die dit onze heilige gesprek zal bestuderen, Mij met zijn verstand zal aanbidden.

Uitleg: In dit vers verklaart Krishna dat degene die dit heilige gesprek, d.w.z. de Bhagavad Gita, zal bestuderen, Hem met zijn verstand zal aanbidden. Het bestuderen van de Bhagavad Gita is een vorm van spirituele aanbidding die een persoon in staat stelt God te naderen met behulp van rede en begrip, en dat deze activiteit zeer hoog in aanzien staat op het spirituele pad.

18-71

En hij die met geloof en zonder afgunst zal luisteren, zal bevrijd worden van de gevolgen van zonden en de weldadige planeten bereiken waar de rechtvaardigen wonen.

Uitleg: In dit vers benadrukt Krishna het belang van geloof en openheid bij het luisteren naar de leer van de Bhagavad Gita. Een persoon die met geloof en zonder afgunst naar deze leer zal luisteren, zal bevrijd worden van de gevolgen van zijn eerdere zonden en de weldadige planeten bereiken waar de rechtvaardigen en spiritueel ontwikkelde zielen wonen, en dat zelfs eenvoudig luisteren met een open hart grote spirituele voordelen kan opleveren.

18-72

O Pārtha, o overwinnaar van rijkdom, heb je aandachtig naar Mij geluisterd? En zijn de onwetendheid en dwalingen van je nu verdreven?

Uitleg: In dit vers stelt Krishna een controlevraag aan Arjuna om er zeker van te zijn dat Arjuna aandachtig heeft geluisterd en alle leer heeft begrepen. Hij vraagt of Arjuna's onwetendheid en dwalingen zijn verdreven, d.w.z. of Arjuna zijn twijfels heeft overwonnen en een helder spiritueel begrip heeft gekregen.

18-73

Arjuna zei: Mijn verwarring is verdwenen, en ik heb mijn geheugen teruggekregen door Uw genade, o Achyuta (Krishna). Nu ben ik vrij van twijfels en ben ik bereid Uw instructies op te volgen.

Uitleg: Dit vers laat zien hoe spirituele leer verwarring en twijfels kan verdrijven als een persoon met geloof en een open geest luistert. Arjuna bevestigt dat zijn verwarring is verdwenen, dat hij zijn geheugen heeft teruggekregen en dat hij nu, dankzij Krishna's genade, vrij is van twijfels en bereid is Krishna's instructies op te volgen. Spiritueel ontwaken komt altijd met de hulp van goddelijke genade, en wanneer een persoon vrij is van twijfels, kan hij zelfverzekerd en doelgericht handelen.

18-74

Sanjaya zei: Zo hoorde ik dit wonderbaarlijke gesprek tussen twee grote zielen – Vāsudeva (Krishna) en Pārtha (Arjuna). En zo wonderbaarlijk zijn Krishna's boodschappen, dat mijn haren overeind gaan staan.

Uitleg: In dit vers drukt Sanjaya, de verteller, zijn eerbied en bewondering uit voor het zojuist gehoorde gesprek tussen Krishna en Arjuna. Dit gesprek is zo wonderbaarlijk en spiritueel verheffend geweest dat zijn haren overeind gaan staan, d.w.z. hij ervaart een diepe spirituele ontroering, en dat dit vers de krachtige impact van de leer van de Bhagavad Gita op de luisteraar laat zien.

18-75

Door de genade van Vyāsadeva hoorde ik deze meest geheime en transcendente leer rechtstreeks van de meester van de spirituele wijsheid, Krishna, die het zelf aan Arjuna uiteenzette.

Uitleg: In dit vers betuigt Sanjaya zijn dankbaarheid aan Vyāsadeva, die met zijn spirituele kracht Sanjaya in staat stelde deze meest geheime en transcendente leer te horen, die Krishna, de meester van de spirituele wijsheid, zelf aan Arjuna uiteenzette. Sanjaya beseft dat dit een unieke kans is om de goddelijke openbaring rechtstreeks uit de mond van God te horen.

18-76

O heerser, telkens weer denkend aan dit wonderbaarlijke en heilige gesprek tussen Krishna en Arjuna, ben ik verrukt en word ik elk moment overweldigd door ontroering.

Uitleg: In dit vers drukt Sanjaya zijn diepe emoties uit die hij ervaart bij het herinneren van het wonderbaarlijke en heilige gesprek tussen Krishna en Arjuna. Elke keer dat hij zich dit gesprek herinnert, is hij verrukt en ervaart hij spirituele ontroering, en dat dit aantoont dat de leer van de Bhagavad Gita een langdurige en krachtige invloed heeft op het bewustzijn van de luisteraar.

18-77

O heerser, wanneer ik denk aan Krishna's wonderbaarlijke gedaante, ben ik nog meer verbaasd en verheug ik me opnieuw.

Uitleg: In dit vers herinnert Sanjaya zich niet alleen de inhoud van het gesprek, maar ook Krishna's wonderbaarlijke kosmische gedaante die Krishna aan Arjuna onthulde. Deze herinnering wekt nog grotere verbazing en spirituele vreugde in Sanjaya op, en dat dit getuigt van de macht en schoonheid van Krishna's goddelijke manifestatie, die een onuitwisbare indruk achterlaat op de waarnemer.

18-78

Waar Krishna, de Heer van alle spirituele leraren, zich ook bevindt, en waar Arjuna, de grote boogschutter, zich ook bevindt, daar zal zeker ook macht, overwinning, buitengewone kracht en moraal zijn. Dat is mijn mening.

Uitleg: In dit vers drukt Sanjaya zijn overtuiging uit dat overal waar Krishna, de Heer van alle spirituele leraren, is en Arjuna, de grote boogschutter, daar zeker ook macht, overwinning, buitengewone kracht en moraal zal zijn. Dit betekent dat goddelijke aanwezigheid en trouwe naleving van spirituele principes welvaart en gerechtigheid garanderen, en dat dit vers de Bhagavad Gita afsluit met de zekerheid van de overwinning van Gods kracht en gerechtigheid.

-1-   -2-   -3-   -4-   -5-   -6-   -7-   -8-   -9-   -10-   -11-   -12-   -13-   -14-   -15-   -16-   -17-   -18-