-1-   -2-   -3-   -4-   -5-   -6-   -7-   -8-   -9-   -10-   -11-   -12-   -13-   -14-   -15-   -16-   -17-   -18-

12-1

Arjuna vroeg: Wie wordt als volmaakter beschouwd – hij die U altijd op de juiste manier dient met geloof, of hij die het niet-gemanifesteerde, eeuwige aanbidt?

Uitleg: In dit vers wil Arjuna verduidelijken wie als de volmaaktere beoefenaar van spirituele discipline wordt beschouwd van de twee wegen naar Godsbesef – ofwel dienstbaarheid aan God als een gepersonifieerd wezen, ofwel de aanbidding van het niet-gemanifesteerde, vormloze Absolute. Hij vraagt welke van deze aanbidders beter gevestigd is in de spirituele praktijk.

12-2

De Allerhoogste Heer zei: Zij die hun geest op Mijn persoonlijke vorm richten en Mij altijd dienen met groot en transcendent geloof, zijn in Mijn ogen het meest volmaakt.

Uitleg: In dit vers antwoordt Krishna dat degenen die met het meest oprechte geloof hun geest op Zijn persoonlijke vorm hebben gericht en Hem altijd dienen, in Zijn ogen het meest volmaakt zijn. Hier wordt de nadruk gelegd op het opbouwen van een persoonlijke relatie met God en het dienen met liefde en toewijding.

12-3

Maar zij die volledig toegewijd zijn aan het ongemanifesteerde, ondoorgrondelijke, alomtegenwoordige, ondenkbare, onveranderlijke, onbeweeglijke en eeuwige – de onpersoonlijke conceptie van het Goddelijke.

Uitleg: In dit vers begint Krishna te antwoorden over degenen die het ongemanifesteerde, onpersoonlijke aspect van het Goddelijke aanbidden. Hij beschrijft dit pad en benadrukt dat het gaat om het dienen van het ongemanifesteerde, dat buiten het bereik van de zintuigen ligt, alomtegenwoordig, ondenkbaar, onveranderlijk, onbeweeglijk en eeuwig is.

12-4

Door alle zintuigen in evenwicht te brengen, in alle omstandigheden gelijkmoedig te zijn en te handelen voor het welzijn van alle wezens, bereiken zij uiteindelijk Mij.

Uitleg: Krishna vervolgt zijn antwoord over de aanbidders van het ongemanifesteerde en merkt op dat degenen die al hun zintuigen in evenwicht kunnen brengen, in alle situaties een gelijke houding kunnen bewaren en handelen voor het welzijn van alle wezens, Hem uiteindelijk ook bereiken. Dit pad vereist een hoge mate van zelfdiscipline en innerlijke rust.

12-5

Voor hen wier geest gehecht is aan het onpersoonlijke, ongemanifesteerde aspect van het Goddelijke, is het moeilijker om succes te behalen, omdat het voor geïncarneerde wezens moeilijk is om het doel te bereiken door dit pad te volgen.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat degenen die gehecht zijn aan het onpersoonlijke, ongemanifesteerde aspect van het Goddelijke het veel moeilijker vinden om vooruitgang te boeken op het spirituele pad, omdat het voor geïncarneerde wezens moeilijk is om dit begrip van het onpersoonlijke, ongemanifesteerde Absolute te bereiken.

12-6

Maar degenen die Mij dienen, al hun activiteiten aan Mij wijden, met onwankelbaar geloof betrokken zijn bij devotionele dienst, voortdurend op Mij mediteren en hun geest op Mij richten.

Uitleg: In dit vers richt Krishna zich opnieuw op degenen die Hem dienen als de gepersonifieerde God. Hij benadrukt dat degenen die al hun activiteiten aan Hem wijden, met onwankelbaar geloof betrokken zijn bij devotionele dienst, voortdurend op Hem mediteren en hun geest op Hem richten, een gemakkelijker pad bewandelen.

12-7

Hen, o Arjuna, red Ik spoedig uit de oceaan van geboorte en dood.

Uitleg: Krishna belooft dat degenen die al hun activiteiten aan Hem hebben gewijd en met onwankelbaar geloof betrokken zijn bij devotionele dienst, voortdurend op Hem mediteren en hun geest op Hem richten, Hij spoedig zal redden uit de oceaan van geboorte en dood, d.w.z. van het lijden van het materiële bestaan en de cyclus van wedergeboorte.

12-8

Richt eenvoudigweg je geest op Mij, het Allerhoogste Goddelijke Wezen, en dompel al je intellect in Mij onder. Op die manier zul je altijd in Mij leven, daar is geen twijfel over.

Uitleg: In dit vers benadrukt Krishna nogmaals hoe belangrijk het is om je geest op Hem te richten en je intellect in Hem onder te dompelen, want door dit te doen zal men altijd in God leven. Krishna belooft dat degenen die dit kunnen, altijd in Hem zullen leven, en daar is geen enkele twijfel over.

12-9

Mijn lieve Arjuna, overwinnaar van rijkdom, als je je geest niet onafgebroken op Mij kunt richten, volg dan de regulerende principes van spirituele oefening. Ontwikkel op die manier het verlangen om Mij te bereiken.

Uitleg: In dit vers biedt Krishna een alternatief aan voor degenen die hun geest niet onmiddellijk volledig op Hem kunnen richten. Dit alternatief is het volgen van de regulerende principes van spirituele oefening om geleidelijk het verlangen te ontwikkelen om God te bereiken. Deze praktijk omvat regelmatige gebeden, rituelen en andere spirituele oefeningen.

12-10

Als je de principes van spirituele oefening niet kunt volgen, probeer dan voor Mij te werken. Omdat je voor Mij zult werken, zul je perfectie bereiken.

Uitleg: In dit vers biedt Krishna nog een alternatief: als iemand de principes van spirituele oefening niet kan volgen, moet hij proberen voor God te werken. Dit betekent het uitvoeren van je dagelijkse taken met de gedachte aan God en je werk aan Hem wijden, want door je werk aan God te wijden, kun je spirituele perfectie bereiken. Op die manier kan iemand, zelfs zonder strikte rituelen te volgen, spirituele perfectie bereiken.

12-11

Als je echter niet in staat bent om te werken in bewustzijn van Mij, probeer dan afstand te doen van alle vruchten van je werk en zelfvoorzienend te zijn.

Uitleg: In dit vers geeft Krishna nog een advies: als iemand niet in staat is om te werken in bewustzijn van God, dan moet hij proberen afstand te doen van alle vruchten van zijn werk. Dit betekent je plichten vervullen zonder gehechtheid aan het resultaat en bereid zijn om alles te aanvaarden wat God geeft. Een dergelijke afstandelijkheid helpt om innerlijke rust te ontwikkelen en zelfvoorzienend te zijn. Een dergelijke handeling helpt om egoïsme los te laten en innerlijke rust te ontwikkelen.

12-12

Als je dat niet kunt, wijdt je dan aan het cultiveren van kennis. Meditatie is echter beter dan kennis, en het afstand doen van alle vruchten van het werk is beter dan meditatie, want door afstand te doen van alle vruchten van het werk kan men vrede bereiken.

Uitleg: In dit vers biedt Krishna een hiërarchie in spirituele ontwikkeling, waarbij hij aangeeft dat meditatie beter is dan kennis, en het afstand doen van alle vruchten van het werk beter is dan meditatie, omdat men door afstand te doen van alle vruchten van het werk vrede kan bereiken. Als iemand geen afstand kan doen van de vruchten van het werk, moet hij zich bezighouden met het cultiveren van kennis. Meditatie is echter beter dan kennis, en het beste is het afstand doen van alle vruchten van het werk, omdat dit tot ware innerlijke vrede leidt.

12-13

Wie niemand vijandig gezind is, maar een vriendelijke vriend van alle wezens, wie zich niet als eigenaar beschouwt en vrij is van het valse ego, wie gelijkmoedig is in leed en geluk, wie verdraagzaam is.

Uitleg: In dit vers begint Kṛṣṇa de kwaliteiten op te sommen van iemand die een hoog niveau van spirituele ontwikkeling heeft bereikt. Zo iemand is niemand vijandig gezind, is vriendelijk en vriendschappelijk tegenover alle wezens, beschouwt zichzelf niet als eigenaar, is vrij van egoïsme en is in staat om zijn evenwicht te bewaren in zowel lijden als geluk, en is verdraagzaam tegenover anderen. Hij is ook verdraagzaam tegenover anderen.

12-14

Altijd tevreden, met toewijding bezig met spirituele dienstbaarheid, wiens geest en verstand op Mij gericht zijn, hij die Mij zo dient, is Mij zeer dierbaar.

Uitleg: In vervolg op de beschrijving voegt Kṛṣṇa eraan toe dat zo iemand altijd tevreden is, met toewijding bezig is met spirituele dienstbaarheid en dat zijn geest en verstand op God gericht zijn, en daarom is hij Kṛṣṇa zeer dierbaar. Zo'n toegewijde dienaar is Kṛṣṇa zeer dierbaar.

12-15

Wie anderen niet verontrust en door anderen niet verontrust wordt, wie kalm is in vreugde en verdriet, in angst en onrust, is Mij zeer dierbaar.

Uitleg: In dit vers gaat Kṛṣṇa verder met het beschrijven van de kwaliteiten van een spiritueel ontwikkeld persoon. Zo iemand verontrust anderen niet met zijn daden of woorden, en hij wordt zelf niet verontrust door de daden van andere mensen. Hij is in staat om in alle situaties kalm te blijven - in vreugde en verdriet, in angst en onrust - en is daarom Kṛṣṇa zeer dierbaar. Zo iemand is Kṛṣṇa zeer dierbaar.

12-16

Mijn toegewijde dienaar, die niet afhankelijk is van de gewone gang van zaken, die zuiver, bekwaam, vrij van zorgen en lijden is en niet streeft naar resultaat, is Mij zeer dierbaar.

Uitleg: In dit vers voegt Kṛṣṇa eraan toe dat een dienaar Hem zeer dierbaar is die niet afhankelijk is van de gewone gang van zaken, zuiver is in zijn gedachten en daden, weet hoe hij in overeenstemming met de omstandigheden moet handelen, vrij is van zorgen en lijden en niet streeft naar een bepaald resultaat in zijn handelen, omdat Hij eenvoudigweg zijn plicht vervult zonder gehechtheid. Hij vervult eenvoudigweg zijn plicht zonder gehechtheid.

12-17

Wie zich niet verheugt, noch treurt, noch rouwt, noch verlangt en wie afstand heeft gedaan van zowel het goede als het kwade, hij die Mij zo dient, is Mij zeer dierbaar.

Uitleg: In dit vers gaat Kṛṣṇa verder met het beschrijven van de kwaliteiten van een spiritueel ontwikkeld persoon. Zo iemand laat zich niet meeslepen door vreugde of verdriet, hij rouwt niet om wat verloren is gegaan en verlangt er niet naar om iets voor zichzelf te verkrijgen. Hij heeft afstand gedaan van zowel het goede als het kwade en is daarom Kṛṣṇa zeer dierbaar, in het besef dat alles Gods wil is. Zo'n toegewijde dienaar is Kṛṣṇa zeer dierbaar.

12-18

Wie gelijkmoedig is jegens vrienden en vijanden, wie onverschillig staat tegenover eer en oneer, hitte en kou, geluk en ongeluk, roem en schande, wie altijd vrij is van schadelijk gezelschap.

Uitleg: In dit vers gaat Kṛṣṇa verder met het opsommen van de kwaliteiten van een spiritueel ontwikkeld persoon. Zo iemand is gelijkmoedig jegens vrienden en vijanden en laat zich niet beïnvloeden door eer en oneer, hitte en kou, geluk en ongeluk, roem en schande. Hij vermijdt altijd schadelijk gezelschap dat zijn spirituele toestand negatief zou kunnen beïnvloeden.

12-19

Altijd tevreden en stil, onverschillig tegenover een verblijfplaats, wie stevig in kennis is gevestigd en Mij met toewijding dient, die is Mij zeer dierbaar.

Uitleg: Ter afsluiting van deze opsomming voegt Kṛṣṇa eraan toe dat een spiritueel ontwikkeld persoon altijd tevreden en stil is, onverschillig tegenover zijn verblijfplaats, stevig in spirituele kennis is gevestigd en God met toewijding dient, en zo iemand is Kṛṣṇa zeer dierbaar. Zo iemand is Kṛṣṇa zeer dierbaar.

12-20

Zij die dit onvergankelijke pad van toegewijde dienstbaarheid bewandelen en zich met geloof volledig aan Mij overgeven, Mij tot hun hoogste doel makend, zijn Mij buitengewoon dierbaar.

Uitleg: In dit vers sluit Kṛṣṇa het 12e hoofdstuk af en benadrukt hij nogmaals dat zij die het onvergankelijke pad van toegewijde dienstbaarheid bewandelen, zich volledig aan Hem overgeven en Hem tot hun hoogste doel maken, Hem buitengewoon dierbaar zijn. Dit hoofdstuk is gewijd aan de uitleg van het pad van toegewijde dienstbaarheid en de beschrijving van de kwaliteiten van een spiritueel ontwikkeld persoon die dit pad volgt.

-1-   -2-   -3-   -4-   -5-   -6-   -7-   -8-   -9-   -10-   -11-   -12-   -13-   -14-   -15-   -16-   -17-   -18-