-1- -2- -3- -4- -5- -6- -7- -8- -9- -10- -11- -12- -13- -14- -15- -16- -17- -18-
11-1
Arjuna zei: Uit genade hebt U mij de meest geheime leer over de Allerhoogste Geest onthuld, en met deze woorden hebt U mijn verwarring verdreven.
Uitleg: In dit vers spreekt Arjuna zijn dankbaarheid uit aan Krishna voor de spirituele leringen die Arjuna's onwetendheid en misvattingen hebben verdreven. Arjuna vraagt Krishna om hem de meest geheime leer over de Allerhoogste Geest te onthullen. Arjuna erkent dat de kennis van de spirituele realiteit die hij heeft ontvangen diepgaand is en de ware essentie van het leven heeft onthuld.
11-2
Ik heb van U gehoord over het ontstaan en vergaan van alle wezens, o lotusogige (Krishna), en ik heb ook gehoord over Uw eindeloze grootsheid.
Uitleg: In dit vers merkt Arjuna op dat hij diepgaande kennis van Krishna heeft ontvangen, waarin hem de cyclus van schepping en vernietiging is uitgelegd, evenals Krishna's eindeloze grootsheid. Hij spreekt dankbaarheid en bewondering uit voor deze wijsheid. Hier spreekt Arjuna Krishna aan als de lotusogige met een respectvolle en bewonderende aanspreekvorm, die schoonheid, zuiverheid en vrede symboliseert.
11-3
Het is precies zoals U zei, o Allerhoogste Goddelijke Wezen. Ik wens Uw Majestueuze vorm te zien, o Allerhoogste Persoon.
Uitleg: In dit vers bevestigt Arjuna dat Krishna de waarheid heeft gesproken, maar hij wil Krishna's Majestueuze vorm zien. Arjuna is overtuigd van Krishna's goddelijke natuur en wil Zijn goddelijke vorm ervaren, die Zijn almacht symboliseert. De Allerhoogste Persoon verwijst naar Krishna's status als de Allerhoogste Persoon of Goddelijke persoonlijkheid, die volledige macht en controle over het Universum heeft.
11-4
Als U denkt dat ik in staat ben om het te zien, o Heer, o Leraar van Grote Wijsheid, toon mij dan alstublieft Uw eeuwige, oneindige Zelf, als Hij denkt dat Arjuna in staat is om het te zien.
Uitleg: In dit vers spreekt Arjuna zijn wens uit om Krishna's goddelijke vorm te zien, maar hij spreekt ook nederigheid en respect uit door aan te geven dat deze ervaring alleen mogelijk is als Krishna het passend acht. Arjuna beseft dat dit de beslissing van de godheid is, en hij vraagt Krishna om hem Zijn eeuwige, oneindige Zelf te tonen, als Hij denkt dat Arjuna in staat is om het te zien. Krishna wordt aangesproken als Heer en Leraar van Grote Wijsheid, wat Zijn heerschappij over de spirituele discipline benadrukt, wat Goddelijk bewustzijn en controle over het hele bestaan betekent.
11-5
De Gezegende Heer zei: Kijk, o zoon van Kunti, naar Mijn vormen in honderden en duizenden verschillende goddelijke kleuren en vormen.
Uitleg: In dit vers begint Krishna Arjuna zijn kosmische vorm te tonen, waarin Hij diversiteit en de omvang van de goddelijkheid uitdrukt. Krishna nodigt Arjuna uit om Zijn talloze, gevarieerde en goddelijke vormen te zien. Krishna geeft aan dat Zijn goddelijke vorm niet eenvoudig of beperkt is - deze omvat honderden en duizenden verschillende manifestaties, die zowel in kleur als in vorm verschillen. Zoon van Kunti is de aanspreekvorm voor Arjuna.
11-6
Kijk, o afstammeling van Bharata, naar de Goddelijke Wezens van de Zon, de Hemelse Machten, de Windgoden, de Goddelijke Tweelingen en de Goden van de Wind. Kijk naar vele andere wonderbaarlijke vormen die je nog nooit eerder hebt gezien.
Uitleg: In dit vers blijft Krishna Arjuna zijn kosmische vorm tonen, die veel godheden en wonderbaarlijke verschijnselen omvat die Arjuna nog nooit eerder heeft gezien. Arjuna krijgt de kans om wonderbaarlijke vormen te zien die hij nog nooit eerder heeft gezien. Deze godheden en vormen vertegenwoordigen verschillende krachten die de wereld en het Universum besturen. • Kijk, o afstammeling van Bharata – Krishna moedigt Arjuna aan om aandachtig te kijken, waarbij hij benadrukt dat wat hij ziet iets ongewoons en goddelijks is. Afstammeling van Bharata is de titel van Arjuna, die zijn band met de Bharata-dynastie aangeeft. • Goddelijke Wezens van de Zon, Hemelse Machten, Windgoden, Goddelijke Tweelingen en Goden van de Wind – Dit zijn verschillende godheden die krachten in de natuur en het Universum vertegenwoordigen: • Goddelijke Wezens van de Zon – Zonnegoden die de bron van leven en glans vertegenwoordigen. • Hemelse Machten – Godheden die de natuurelementen beheersen, zoals vuur en water. • Windgoden – Godheden die verbonden zijn met vernietiging en transformatie. • Goddelijke Tweelingen – Goddelijke tweelingen die gezondheid en welzijn vertegenwoordigen. • Goden van de Wind – Windgoden die de krachten en beweging van de lucht beheersen. • Wonderbaarlijke vormen die je nog nooit eerder hebt gezien – Krishna toont Arjuna niet alleen deze bekende godheden, maar ook vele andere wonderen die Arjuna nog nooit eerder heeft gezien. Deze wonderen vertegenwoordigen Krishna's onmetelijke goddelijke kracht en macht.
11-7
Hier, in Mijn lichaam, zie het hele Universum als een geheel, met alle bewegende en onbeweeglijke wezens, o Overwinnaar van de Slaap, en al het andere dat je nog wilt zien.
Uitleg: In dit vers geeft Krishna Arjuna aan dat het hele Universum in Zijn kosmische vorm te zien is. Arjuna kan het hele Universum met al zijn bewegende en onbeweeglijke wezens op één plek zien. Krishna laat Arjuna alle bewegende en onbeweeglijke wezens zien, evenals al het andere dat Arjuna misschien nog wil zien. Deze ervaring overstijgt de gebruikelijke menselijke waarneming en onthult Krishna's universele aard. • Hier, in Mijn lichaam, zie het hele Universum – Krishna nodigt Arjuna uit om het hele Universum te zien als een verenigd geheel dat zich manifesteert in Krishna's kosmische lichaam. Dit geeft aan dat Krishna de bron en het onderhoud van al het bestaande is, en in Zijn lichaam bestaat de hele schepping. • Met alle bewegende en onbeweeglijke wezens – Krishna omvat zowel bewegende als onbeweeglijke schepselen in Zijn kosmische vorm, die alle levende en niet-levende wezens symboliseert. • O Overwinnaar van de Slaap – Dit is een aanspreekvorm voor Arjuna, wat betekent degene die de slaap heeft overwonnen of degene die waakzaam is. Het symboliseert Arjuna's geconcentreerde geest en spirituele waakzaamheid. • En al het andere dat je nog wilt zien – Krishna biedt Arjuna aan om niet alleen het Universum te zien in de vorm die het heeft, maar ook elk ander aspect dat hij zou willen begrijpen of zien. Dit symboliseert Krishna's onbeperkte mogelijkheden.
11-8
Met uw wereldse ogen kunt u Mij niet zien. Daarom geef Ik u goddelijke ogen. Aanschouw Mijn goddelijke majesteit.
Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat gewone menselijke ogen Zijn kosmische vorm en de grootsheid van de godheid niet kunnen waarnemen. Krishna schenkt Arjuna goddelijke ogen zodat hij Zijn goddelijke majesteit kan zien. Om Krishna's goddelijke aard te kunnen zien, heeft Arjuna goddelijk zicht nodig. Daarom schenkt Krishna Arjuna speciale, door de godheid gegeven ogen om deze manifestatie van goddelijkheid waar te nemen. • Met uw wereldse ogen kunt u Mij niet zien – Krishna geeft aan dat Arjuna's menselijke ogen Zijn kosmische vorm niet kunnen zien, omdat deze bovennatuurlijk is en de gewone menselijke waarneming te boven gaat. Dit duidt op de spirituele beperking die in de menselijke waarneming bestaat. • Daarom geef Ik u goddelijke ogen – Opdat Arjuna de manifestatie van de godheid kan zien, schenkt Krishna hem goddelijke ogen, ofwel spiritueel zicht, waarmee hij kan waarnemen wat boven het gewone en materiële uitstijgt. • Aanschouw Mijn goddelijke majesteit – Krishna nodigt Arjuna uit om deze door de godheid gegeven ogen te gebruiken om Zijn goddelijke kracht en majesteit te zien, die het hele Universum omvat. Krishna wijst op Zijn onbeperkte macht, die niet met gewone zintuigen kan worden waargenomen.
11-9
Sanjaya zei: Dit zegt Sanjaya tegen Dhritarashtra en dat Krishna aan Arjuna Zijn Allerhoogste, Allesomvattende Vorm openbaart als de Grote Leraar van Wijsheid, de Almachtige.
Uitleg: In dit vers beschrijft Sanjaya hoe Krishna, na Zijn woorden, Arjuna Zijn Allerhoogste, Allesomvattende Vorm toont. Sanjaya zegt dit tegen Dhritarashtra en dat Krishna aan Arjuna Zijn Allerhoogste, Allesomvattende Vorm openbaart als de Grote Leraar van Wijsheid, de Almachtige. Sanjaya is de verteller die Dhritarashtra vertelt over het gesprek tussen Krishna en Arjuna. Op dit moment gaat Krishna over van spreken naar handelen door Arjuna Zijn kosmische vorm te tonen. Sanjaya verwijst naar Krishna als de Grote Leraar van Wijsheid en de Almachtige, waarmee hij Krishna's kracht en vermogen benadrukt om spirituele krachten en de wetten van het Universum te leiden.
11-10
Met talloze monden en ogen, die zich in wonderbaarlijke vormen openbaarden, versierd met vele goddelijke ornamenten en met vele opgeheven goddelijke wapens.
Uitleg: In dit vers gaat Sanjaya verder met het beschrijven van Krishna's kosmische vorm die aan Arjuna wordt getoond. De vorm is versierd met vele goddelijke ornamenten en heft vele goddelijke wapens op. Deze kosmische vorm onthult Krishna's goddelijke manifestaties die de waarnemingsvermogens van een gewoon mens overstijgen. Krishna's vorm wordt beschreven als veelzijdig en wonderbaarlijk, met talloze gezichten, ogen, ornamenten en wapens, die de kracht en diversiteit van het Universum weerspiegelen. • Talloze monden en ogen – Krishna verschijnt met vele gezichten en ogen, die Zijn aanwezigheid in het hele Universum en het vermogen om alles te zien en met iedereen te spreken symboliseren. • Die zich in wonderbaarlijke vormen openbaarden – Krishna verschijnt in verschillende goddelijke vormen die vol wonderen en verrassingen zijn, wat duidt op Zijn onbeperkte vermogen om zich in verschillende vormen te manifesteren. • Vele goddelijke ornamenten – Krishna is versierd met vele ornamenten van de godheid, die Zijn goddelijke status en majesteit symboliseren. • Opgeheven goddelijke wapens – Krishna houdt wapens van de godheid vast, die klaar zijn voor actie. Deze wapens symboliseren Zijn kracht en vermogen om de kosmische orde te verdedigen en te handhaven.
11-11
Gekleed in goddelijke gewaden en versierd met goddelijke slingers, geparfumeerd met goddelijke geuren, verblind door wonderen, stralend, oneindig, met een gezicht dat alle richtingen uitkijkt.
Uitleg: In dit vers wordt Krishna's kosmische vorm beschreven die aan Arjuna wordt getoond. De vorm was gekleed in goddelijke gewaden, versierd met goddelijke slingers, geparfumeerd met goddelijke geuren, vol wonderen, stralend, oneindig en met een gezicht in alle richtingen. Krishna's goddelijke vorm wordt beschreven als volkomen ongewoon, wonderbaarlijk en oneindig. Deze manifestatie overstijgt de grenzen van het menselijk begrip, omdat Krishna zich in alle richtingen manifesteert, wat de aanwezigheid van God in het hele Universum symboliseert. • Goddelijke gewaden en slingers – Krishna is gekleed in goddelijke gewaden en versierd met bloemenslingers, die Zijn majesteit en goddelijkheid symboliseren. Dit duidt op de Goddelijke status en glorie die een speciale spirituele kracht verlenen. • Goddelijke geuren – Krishna straalt de geur van goddelijkheid uit, die zuiverheid en zegening symboliseert en wijst op Zijn spirituele aard. • Verblind door wonderen, stralend – Krishna is vol wonderbaarlijke krachten die ongewoon en bewonderenswaardig zijn. Dit duidt op Zijn oneindige vermogens en het vermogen om de wonderen van het Universum te manifesteren. • Oneindig, met een gezicht in alle richtingen – Krishna is oneindig en heeft gezichten in alle richtingen, wat betekent dat Hij alles ziet, in het hele Universum aanwezig is en de hele schepping leidt.
11-12
Als honderdduizenden zonnen tegelijk aan de hemel zouden opgaan, zou hun helderheid kunnen lijken op het licht van de majesteit van de Grote Heer.
Uitleg: In dit vers probeert Sanjaya Krishna's kosmische vorm te beschrijven, waarvan de helderheid zo enorm en verbazingwekkend is dat het kan worden vergeleken met honderdduizenden zonnen die tegelijk aan de hemel opkomen. Zelfs als duizend zonnen tegelijk aan de hemel zouden opkomen, zou hun helderheid slechts een beetje lijken op het licht van de majesteit van de Grote Heer. Krishna's goddelijke macht en glans overtreffen elke denkbare kracht en licht die een mens zou kunnen waarnemen.
11-13
Op dat moment zag Arjuna het hele Universum in talloze manifestaties, die als één geheel in het lichaam van de God der Goden waren.
Uitleg: In dit vers beschrijft Sanjaya hoe Arjuna Krishna's kosmische vorm zag, waarin het hele Universum was verenigd, verdeeld in talloze delen, maar nog steeds in één vorm. Arjuna zag het hele Universum in talloze manifestaties, die als één geheel in het lichaam van de God der Goden waren. Dit geeft aan dat Krishna de bron en onderhouder van het Universum is, waarin alles tegelijkertijd bestaat en met elkaar verbonden is. • Op dat moment – Arjuna zag hoe het hele Universum op één plek was verenigd. Deze eenheid symboliseert dat alles wat bestaat deel uitmaakt van Krishna en Zijn kosmische vorm. • Het hele Universum in talloze manifestaties – Arjuna zag het hele Universum, bestaande uit verschillende delen en vormen. Dit duidt op de diversiteit van de wereld, die in eenheid met het Goddelijke bestaat. • In het lichaam van de God der Goden – Hier wordt Krishna de God der Goden genoemd, wat wijst op Zijn hoogste positie en macht over alle andere goden. Het Universum wordt gemanifesteerd en verenigd in Krishna's kosmische lichaam.
11-14
Toen, overweldigd door verbazing, verward, met opstaand haar, boog Arjuna eerbiedig voor God en begon, met gevouwen handen in gebed, te spreken.
Uitleg: Dit vers beschrijft Arjuna's reactie nadat hij Krishna's kosmische vorm heeft gezien. Arjuna, overweldigd door verbazing, verward, met opstaand haar, boog eerbiedig voor God en begon, met gevouwen handen in gebed, te spreken. Hij is overmand door verbazing en verwarring, die zo intens zijn dat zijn lichaam reageert door zijn haar te doen opstaan. Arjuna voelt diepe respect en nederigheid, buigt voor God en vouwt zijn handen in gebed, en bereidt zich voor om Krishna aan te spreken.
11-15
Arjuna zei: Mijn Heer, ik zie in Uw lichaam alle goden en verschillende andere wezens. Ik zie de Heer van de Geest op een lotusbloem zitten, evenals alle verhevene en goddelijke ouderen.
Uitleg: In dit vers begint Arjuna te beschrijven wat hij in Krishna's kosmische vorm ziet. Arjuna ziet alle goden, verschillende wezens, de Heer van de Geest op een lotusbloem, evenals alle verhevene en goddelijke ouderen. In Krishna's lichaam ziet hij niet alleen goddelijke krachten, maar ook alle levende wezens, de Heer van de Geest, die de schepper is, en vele verhevene en goddelijke krachten, waaronder ouderen die oude godheden en natuurkrachten vertegenwoordigen. • Ik zie in Uw lichaam, Mijn Heer – Arjuna geeft aan dat hij alle goden in Krishna's lichaam ziet, wat wijst op Krishna's kosmische essentie die alle krachten van de godheid en de krachten van het Universum omvat. • Alle levende wezens – Arjuna ziet ook de verschillende groepen wezens die de diversiteit van het Universum en de levensvormen vertegenwoordigen die verbonden zijn met Krishna's essentie. • De Heer van de Geest, die op een lotus zit – De Heer van de Geest, die de schepper is en op een lotusbloem zit, wordt beschreven als onderdeel van Krishna's kosmische vorm, wat schepping en goddelijke manifestatie symboliseert. • Alle verhevene en goddelijke ouderen – Arjuna ziet ook alle verhevene en goddelijke ouderen, die wijsheid en manifestaties van natuurkrachten in Krishna's kosmische vorm symboliseren.
11-16
Ik zie U met talloze armen, buiken, monden en ogen, overal aanwezig, in een oneindige vorm. Ik zie Uw einde niet, Uw midden niet of Uw begin niet, o Heer van het Universum, o Vorm van het Universum.
Uitleg: In dit vers beschrijft Arjuna Krishna's kosmische vorm, waarin hij talloze manifestaties ziet – armen, buiken, monden, ogen die zich in alle richtingen uitstrekken. Arjuna kan noch het einde, noch het midden, noch het begin van Krishna's kosmische vorm onderscheiden. Arjuna begrijpt dat deze vorm oneindig is en hij kan het begin-, midden- of eindpunt ervan niet vinden. Deze ervaring toont de status van Krishna als Heer van het Universum, die alles omvat en buiten alle beperkingen bestaat. • Ik zie U met talloze armen, buiken, monden en ogen – Arjuna aanschouwt Krishna's kosmische vorm, die talloze organen heeft die in alle richtingen zijn verspreid. Dit symboliseert dat Krishna in het hele Universum aanwezig is en Zijn invloed alle aspecten van de wereld omvat. • Overal aanwezig, in een oneindige vorm – Krishna manifesteert zich als een oneindige vorm die overal aanwezig is en het menselijk begrip van grenzen en beperkingen overstijgt. Krishna's vorm is oneindig en kan daarom niet met gewone zintuigen worden gezien. • Ik zie Uw einde niet, Uw midden niet of Uw begin niet – Arjuna erkent dat hij het begin-, midden- of eindpunt van Krishna's vorm niet kan vinden, wat wijst op Krishna's oneindigheid. Dit benadrukt de onbegrensde aard van de Goddelijke vorm, die buiten de grenzen van tijd en ruimte bestaat. • O Heer van het Universum, o Vorm van het Universum – Arjuna spreekt Krishna aan als de Heer van het Universum, die het hele universum regeert en in elk deel ervan aanwezig is. Krishna's kosmische vorm wordt erkend als oneindig en allesomvattend.
11-17
Ik zie U met een kroon, een strijdknots en een discus, een helderheid uitstralend naar alle kanten. Het is moeilijk U te zien in de glans die lijkt op een vlammend vuur of een onmetelijke helderheid van de zon.
Uitleg: In dit vers gaat Arjuna verder met het beschrijven van Krishna's kosmische vorm, waarin hij Krishna helderheid naar alle kanten ziet uitstralen, en dat het moeilijk is Hem te zien in de glans die lijkt op een vlammend vuur of een onmetelijke helderheid van de zon. Krishna als een god-krijger, bewapend met een kroon, een strijdknots en een goddelijke discus, die de goddelijke manifestaties van oorlog symboliseren. Krishna straalt een ongewoon licht uit dat lijkt op vuurvlammen of de helderheid van de zon. Deze helderheid is moeilijk te zien omdat het verblindend helder en onmetelijk is. • Met een kroon, een strijdknots en een discus – Krishna wordt beschreven als een godheid die een kroon draagt en is uitgerust met een strijdknots en een chakra (een schijfvormig wapen). Deze symbolen tonen Krishna's kracht en de majesteit van het koninkrijk als de kosmische heerser. • Een helderheid uitstralend naar alle kanten – Krishna straalt een sterk licht en energie uit die van alle kanten komt, wat Zijn goddelijke macht en kracht symboliseert die het hele Universum omvat. • Moeilijk U te zien in de glans die lijkt op een vlammend vuur of een onmetelijke helderheid van de zon – Krishna's licht is zo helder dat het moeilijk te zien is, net als kijken naar een vlammend vuur of de zon. Dit licht overstijgt het menselijk vermogen om het direct waar te nemen.
11-18
U bent de Onvernietigbare, de Allerhoogste Waarheid die gekend moet worden. U bent de toevlucht van alle wezens, de hoogste toevlucht van heel het Universum. U bent onuitputtelijk, de behoeder van de eeuwige wet. U bent het Eeuwige Goddelijke Wezen.
Uitleg: In dit vers erkent Arjuna Krishna als de Onvernietigbare, de Allerhoogste Waarheid die gekend moet worden, als de toevlucht van alle wezens, de onuitputtelijke, de behoeder van de eeuwige wet en het Eeuwige Goddelijke Wezen. Krishna's goddelijke natuur als onvernietigbaar, de bron van de hoogste kennis, de basis van het Universum en de behoeder van de eeuwige wet. Hij spreekt zijn diepe respect en dankbaarheid uit, zich bewust van Krishna's eeuwige aanwezigheid en onveranderlijke aard. • U bent de Onvernietigbare, het hoogste dat gekend moet worden – Arjuna begrijpt dat Krishna onvernietigbaar is en het hoogste is dat men kan kennen en begrijpen. Dit wijst op de eeuwigheid en onveranderlijkheid van het Goddelijke wezen. • U bent de hoogste toevlucht van heel het Universum – Krishna wordt beschreven als de basis en toevlucht van het Universum, waarin alles bestaat en waar alles uit voortkomt. Hij is de bron en stabiliteit in het hele Universum. • U bent onuitputtelijk, de behoeder van de eeuwige wet – Krishna is onuitputtelijk en eeuwig, en hij bewaakt de eeuwige wet. Dit wijst op Krishna's rol als handhaver van gerechtigheid en orde. • U bent het Eeuwige Goddelijke Wezen – Arjuna beschouwt Krishna als het eeuwige wezen, de hoogste Persoon die de heerser van het Universum en een goddelijke manifestatie is.
11-19
Ik zie dat U geen begin, geen midden, geen einde hebt, met oneindige glorie, talloze armen, en Uw ogen zijn als de zon en de maan, en uit Uw mond komt een laaiend vuur dat het hele Universum met zijn schittering verbrandt.
Uitleg: In dit vers beschrijft Arjuna de kosmische vorm van Krishna, waarin hij de oneindige kracht en onmetelijke eigenschappen ziet. Arjuna ziet Krishna zonder begin, midden en einde, met oneindige glorie, talloze armen, en Zijn ogen zijn als de zon en de maan, en uit Zijn mond komt een laaiend vuur dat het hele Universum met zijn schittering verbrandt. Krishna is zonder begin, midden of einde, wat wijst op zijn eeuwigheid. Zijn ogen zijn als de zon en de maan, wat het heldere licht en het vermogen symboliseert om het hele Universum te verlichten. Krishna's laaiende mond wijst op zijn goddelijke vuur dat het Universum met zijn schittering kan verbranden. • Zonder begin, midden en einde – Krishna wordt gekarakteriseerd als eeuwig, zonder begin, midden of einde, wat zijn onbegrensde aard in de tijd en zijn oneindige wezen symboliseert. • Uw glorie is oneindig – Krishna's macht is oneindig, hij is in staat om het hele Universum te regeren en te creëren. Oneindige kracht wijst op de macht van God, die geen grenzen kent. • Met talloze armen – In Krishna's kosmische vorm heeft hij talloze armen, wat wijst op zijn aanwezigheid in het hele Universum en het vermogen om overal tegelijkertijd te handelen. • De zon en de maan zijn Uw ogen – Krishna's ogen worden vergeleken met de zon en de maan, wat betekent dat hij alles ziet, de hele wereld verlicht en het goddelijke vermogen symboliseert om zowel leven te geven als te vernietigen. • Uit Uw mond komt een laaiend vuur – Krishna's mond straalt vlammen uit, wat wijst op zijn vermogen om te vernietigen en te zuiveren, en symboliseert de vurige aard van het goddelijke. • Verbrandt het hele Universum met zijn schittering – Krishna's licht is zo helder dat het het hele Universum verbrandt of omhult, wat wijst op zijn oneindige kracht en helderheid die allesomvattend is.
11-20
Hoewel U één bent, vervult U de hemel en de aarde en alle ruimte daartussen. Bij het zien van deze Uw wonderbaarlijke en vreselijke gedaante zijn alle drie de wereldstelsels geschokt, o Grootsheid.
Uitleg: Arjuna ziet dat Krishna in zijn eentje de hemel, de aarde en alle ruimte daartussen vervult, en dat alle drie de wereldstelsels geschokt zijn bij het zien van deze wonderbaarlijke en vreselijke gedaante. • Hoewel U één bent, vervult U de hemel en de aarde en alle ruimte daartussen – Arjuna merkt op dat Krishna overal aanwezig is en alle ruimte tussen hemel en aarde omvat. Dit symboliseert Gods oneindige aanwezigheid. • Bij het zien van deze Uw wonderbaarlijke en vreselijke gedaante – Krishna's kosmische vorm is zowel wonderbaarlijk als machtig, wat respect en angst inboezemt. Krishna's macht is zo groot dat het moeilijk te bevatten is. • Alle drie de wereldstelsels zijn geschokt – De drie werelden – de fysieke, astrale en hemelse – zijn geschokt en bang, omdat Krishna's machtige vorm elke eerder geziene goddelijke manifestatie overtreft.
11-21
Alle scharen der goden geven zich aan U over en gaan in U op. Sommigen, door angst bevangen, bidden tot U met samengevouwen handen. De grote wijzen en degenen die de volmaaktheid hebben bereikt, roepen: Vrede zij met U! en eren U met wijze gebeden.
Uitleg: Alle scharen der goden geven zich over aan Krishna en gaan in Hem op, sommigen van hen bidden, bevangen door angst, met samengevouwen handen, terwijl de grote wijzen en degenen die de volmaaktheid hebben bereikt Krishna eren met wijze gebeden, waarmee ze hun respect en erkenning uiten. • Alle scharen der goden geven zich aan U over en gaan in U op – De goden gaan op in Krishna's kosmische vorm, wat symboliseert dat het Goddelijke de bron is van alle goden en hun werkelijke aanwezige vorm. • Sommigen, door angst bevangen, bidden tot U met samengevouwen handen – Sommige goden zien Krishna's kosmische vorm en voelen angst voor zijn macht. Ze vouwen hun handen in gebed en uiten gebeden met diep respect en angst. • De grote wijzen en degenen die de volmaaktheid hebben bereikt, roepen: Vrede zij met U! en eren U met wijze gebeden – Wijzen en heiligen die volmaaktheid hebben bereikt, eren Krishna met wijze gebeden, uiten hun respect en bewondering voor de Goddelijke kracht en wensen vrede.
11-22
Alle Windgoden, de Goddelijke Wezens van de Zon, de Hemelse Krachten, de Wereldgoden, de Goddelijke Tweelingen, de Windgoden, de Geesten van de Voorouders, evenals de Hemelse Zangers, de Bewaarders van Schatten, de Goddelijke Mensen en degenen die de Volmaaktheid hebben bereikt - allen aanschouwen U met verbazing.
Uitleg: Alle Windgoden, de Goddelijke Wezens van de Zon, de Hemelse Krachten, de Wereldgoden, de Goddelijke Tweelingen, de Windgoden, de Geesten van de Voorouders, evenals de Hemelse Zangers, de Bewaarders van Schatten, de Goddelijke Mensen en degenen die de Volmaaktheid hebben bereikt, aanschouwen Krishna met verbazing. • Windgoden – Godheden die verbonden zijn met vernietiging en transformatie, dit zijn manifestaties van Shiva. • Goddelijke Wezens van de Zon – Zonnegodheden die de levenskracht en het licht symboliseren. • Hemelse Krachten – Godheden die de natuurelementen vertegenwoordigen, zoals vuur, wind, water. • Wereldgoden – Godheden van het Universum die de wereldorde vertegenwoordigen. • Goddelijke Tweelingen – Twee goden die verbonden zijn met genezing en heling. • Windgoden – Windgoden die de kracht en dynamiek van de natuur symboliseren. • Geesten van de Voorouders – Geesten van voorouders die verbonden zijn met de verering van voorouders. • Hemelse Zangers – Hemelse muzikanten die kunst en muziek symboliseren. • Bewaarders van Schatten – Wezens die verbonden zijn met rijkdom en welvaart. • Goddelijke Mensen – Wezens die weerstand bieden aan de goden, soms het kwaad symboliseren. • Degenen die de Volmaaktheid hebben bereikt – Heiligen die spirituele volmaaktheid en verlichting hebben bereikt.
11-23
O Almachtige, bij het zien van Uw Grote Gedaante met vele monden, ogen, armen, dijen, voeten, buiken en vreselijke tanden, zijn alle werelden geschokt, en ik ook.
Uitleg: Bij het zien van deze machtige en vreselijke vorm zijn alle werelden, inclusief Arjuna, geschokt en bang. • Grote Gedaante – Krishna's vorm is zo enorm en omvangrijk dat hij het hele Universum omvat en de grootsheid van zijn goddelijkheid toont. • Vele monden en ogen – Krishna's kosmische vorm manifesteert zich met vele monden en ogen, wat zijn vermogen symboliseert om overal te zien en zich uit te drukken. • Armen, dijen, voeten – Krishna heeft vele armen, benen en dijen, wat zijn oneindige kracht en controle over het hele Universum symboliseert. • Vele buiken en vreselijke tanden – Vele buiken symboliseren Krishna's vermogen om alles te omvatten, en zijn vreselijke tanden wijzen op zijn rol als vernietiger, die in staat is om te vernietigen en te zuiveren. • Alle werelden zijn geschokt, en ik ook – De macht van Krishna's kosmische vorm is zo angstaanjagend dat zowel het Universum als Arjuna bang en geschokt zijn door dit wonder.
11-24
Als ik U zie, die tot in de hemel reikt, stralend in verschillende kleuren, met wijd geopende mond en enorme, laaiende ogen, breekt mijn hart van angst en verlies ik moed en vrede, o Beschermer van het Universum!
Uitleg: Bij het zien van deze vorm met wijd geopende mond en enorme, laaiende ogen breekt Arjuna's hart van angst en verliest hij moed en vrede. • Reikt tot in de hemel – Krishna's vorm is zo enorm dat hij tot in de hemel reikt, wat zijn oneindigheid en macht symboliseert. • Stralend in verschillende kleuren – Krishna straalt veelkleurig licht uit, wat wijst op zijn oneindige natuur en diverse manifestaties. • Met wijd geopende mond – Krishna's kosmische vorm is te zien met wijd geopende monden, wat zijn vermogen symboliseert om alles te verslinden en het Universum te omvatten. • Enorme, laaiende ogen – Krishna's ogen zijn groot en laaiend, ze schijnen helder en tonen de kracht en macht van zijn goddelijkheid. • Mijn hart breekt van angst – Arjuna ervaart diepe schok en angst bij het zien van deze vorm. Zijn ziel is geschokt omdat hij Krishna's oneindige vorm niet kan bevatten. • Ik verlies moed en vrede – Arjuna erkent dat hij niet langer innerlijke rust of evenwicht kan vinden, omdat Krishna's vorm zo enorm en angstaanjagend is. • O Beschermer van het Universum – Arjuna spreekt Krishna aan als Beschermer van het Universum, wat de allesomvattende aard van de godheid en de hoeder van het Universum symboliseert.
11-25
Bij het zien van Uw monden met de vreselijke tanden, die gloeien als het vernietigende vuur van de Tijd, verlies ik mijn oriëntatie in de ruimte en kan ik geen rust vinden. Wees mij genadig, o God der goden, Toevlucht van het Universum!
Uitleg: Bij het zien van deze angstaanjagende vorm voelt Arjuna zich verward, verliest zijn oriëntatie in de ruimte en kan geen rust vinden, daarom smeekt hij Krishna om genade. • Vreselijke tanden en monden – Krishna's vorm met tanden en monden roept angst en respect op. Deze manifestatie symboliseert vernietiging en de onvermijdelijke stroom van de tijd. • Gloeien als het vernietigende vuur van de Tijd – Krishna's monden worden vergeleken met het vernietigende vuur van de Tijd, wat wijst op de cyclus van vernietiging en transformatie die de tijd voortbrengt. Het herinnert eraan dat de tijd allesomvattend en allesvernietigend is. • Ik verlies mijn oriëntatie in de ruimte – Arjuna is zo verward dat hij zich niet langer in de ruimte kan oriënteren, wat wijst op zijn diepe schok en spirituele verwarring. • Kan ik geen rust vinden – Arjuna erkent dat hij in deze wonderbaarlijke maar angstaanjagende vorm die hij ziet, geen innerlijke rust kan vinden. • Wees mij genadig, o God der goden – Arjuna smeekt Krishna om genade, hij doet een verzoek om zijn angst en schok te verminderen. • Toevlucht van het Universum – Arjuna spreekt Krishna aan als Toevlucht van het Universum, waarbij hij zijn aanwezigheid in het hele Universum en de heerschappij over alles wat bestaat benadrukt.
11-26
Al deze zonen van Dhritarashtra, samen met de scharen van geallieerde vorsten, evenals onze voornaamste krijgers, haasten zich Uw vreselijke monden binnen.
Uitleg: Arjuna ziet niet alleen de zonen van Dhritarashtra, maar ook de scharen van geallieerde vorsten, evenals Bhishma, Drona, Karna en andere voornaamste krijgers zich haasten Krishna's vreselijke monden binnen. • Al deze zonen van Dhritarashtra, samen met de scharen van geallieerde vorsten, evenals onze voornaamste krijgers – Arjuna ziet de zonen van Dhritarashtra, hun geallieerde vorsten en zijn eigen voornaamste krijgers. • Haasten zich Uw vreselijke monden binnen – Ze worden snel verzwolgen door de monden van Krishna's kosmische vorm.
11-27
De hoofden van sommige krijgers zijn zichtbaar tussen Uw tanden geklemd.
Uitleg: Arjuna ziet dat sommige van de krijgers tussen Krishna's tanden worden geklemd en hun hoofden worden verbrijzeld. • De hoofden van sommige krijgers zijn zichtbaar – Arjuna ziet de hoofden van afzonderlijke krijgers. • Tussen Uw tanden geklemd – De hoofden zijn tussen Krishna's tanden geklemd en samengedrukt, wat vernietiging symboliseert.
11-28
Zoals de rivierstromen naar de oceaan snellen, zo stromen deze helden van de wereld in Uw vlammende monden.
Uitleg: Arjuna vergelijkt de dood van de helden met rivierstromen die naar de zee snellen, wat wijst op hun onvermijdelijke lot. • Zoals de rivierstromen naar de oceaan snellen – Rivierstromen stromen voortdurend en onvermijdelijk naar de oceaan. • Zo stromen deze helden van de wereld in Uw vlammende monden – Evenzo stromen de helden van de wereld onvermijdelijk in de vlammende monden van Krishna, die de dood symboliseren.
11-29
Zoals motten die op een helder licht afstormen om ten onder te gaan, zo haasten al deze mensen zich met grote snelheid in Uw monden om vernietigd te worden.
Uitleg: Arjuna vergelijkt de dood van de krijgers met de dood van motten die in een vlam vliegen, wat wijst op de onvermijdelijke vernietiging die hen wacht die in de buurt van Krishna komen. • Zoals motten die op een helder licht afstormen om ten onder te gaan – Motten worden instinctief aangetrokken tot licht, wat tot hun ondergang leidt. • Zo haasten al deze mensen zich met grote snelheid in Uw monden om vernietigd te worden – Evenzo haasten de krijgers zich naar hun vernietiging in de monden van Krishna.
11-30
O Onderhouder van het Universum, U verslindt alle mensen met Uw vlammende monden, terwijl U Uw lippen aflikt. U vervult het hele Universum met Uw heldere straling, die alles verbrandt.
Uitleg: Krishna verslindt alle mensen met Zijn vlammende monden, terwijl Hij Zijn lippen aflikt, en vervult het hele Universum met Zijn heldere straling, die alles verbrandt. • U verslindt alle mensen met Uw vlammende monden, terwijl U Uw lippen aflikt – Krishna wordt afgebeeld als een vernietiger die mensen verslindt. • U vervult het hele Universum met Uw heldere straling, die alles verbrandt – De glans van Krishna is zo intens dat het het hele Universum verbrandt.
11-31
Onthul mij wie U bent in deze verschrikkelijke vorm. Ik buig me nederig voor U neer, o Grote God, wees mij genadig. Ik wil U leren kennen, de oorspronkelijke, want ik begrijp Uw handelen niet.
Uitleg: Arjuna vraagt Krishna om Zijn identiteit in deze verschrikkelijke vorm te onthullen en betuigt nederigheid door voor God neer te buigen en Zijn genade te smeken. • Onthul mij wie U bent in deze verschrikkelijke vorm – Arjuna wil de identiteit van Krishna in Zijn angstaanjagende vorm weten. • Ik buig me nederig voor U neer, o Grote God, wees mij genadig – Arjuna betuigt nederigheid en smeekt om genade. • Ik wil U leren kennen, de oorspronkelijke, want ik begrijp Uw handelen niet – Arjuna erkent dat hij de handelingen van Krishna niet begrijpt en wil Hem leren kennen.
11-32
De Allerhoogste Heer zei: Ik ben de Tijd, de machtige vernietiger van werelden, en Ik ben hier gekomen om alle mensen te vernietigen. Behalve jullie, de Pandava's, zullen alle hier verzamelde krijgers sterven.
Uitleg: In dit vers openbaart Krishna Zichzelf als de Tijd, die de onvermijdelijke vernietiger is, en dat Hij is gekomen om alle mensen te vernietigen, en dat alle krijgers behalve de Pandava's zullen sterven. • Ik ben de Tijd, de machtige vernietiger van werelden – Krishna onthult Zijn identiteit als de tijd die werelden vernietigt. • Ik ben hier gekomen om alle mensen te vernietigen – Krishna verklaart Zijn intentie om de krijgers te vernietigen. • Behalve jullie, de Pandava's, zullen alle hier verzamelde krijgers sterven – Krishna verduidelijkt dat alleen de Pandava's zullen overleven.
11-33
Sta daarom op en bereid je voor op de strijd. Door roem te verwerven en je vijanden te verslaan, zul je genieten van een bloeiend koninkrijk. Door Mijn wil zijn ze al dood, en jij, o linkshandige boogschutter, bent slechts een instrument.
Uitleg: Arjuna moet opstaan en vechten om roem te verwerven door zijn vijanden te verslaan, en dat hij slechts een instrument is in Krishna's plan. • Sta daarom op en bereid je voor op de strijd – Krishna geeft Arjuna het bevel om te vechten. • Door roem te verwerven en je vijanden te verslaan, zul je genieten van een bloeiend koninkrijk – Krishna wijst op de gevolgen van gehoorzaamheid door Arjuna. • Door Mijn wil zijn ze al dood, en jij, o linkshandige boogschutter, bent slechts een instrument – Krishna onthult dat het lot al is bepaald en dat Arjuna een instrument is.
11-34
Drona, Bhishma, Jayadratha, Karna en andere grote krijgers zijn al door Mij vernietigd. Vecht daarom en twijfel niet. Weet zeker dat je in de strijd je vijanden zult overwinnen.
Uitleg: Krishna moedigt Arjuna aan om te vechten, omdat Drona, Bhishma, Jayadratha, Karna en andere grote krijgers al door Krishna zijn vernietigd, en Arjuna hoeft alleen maar te vechten om zijn vijanden op het slagveld te verslaan. • Drona, Bhishma, Jayadratha, Karna en andere grote krijgers zijn al door Mij vernietigd – Krishna verklaart dat deze krijgers al door Hem zijn vernietigd. • Vecht daarom en twijfel niet – Krishna moedigt Arjuna aan om zonder twijfel te vechten. • Weet zeker dat je in de strijd je vijanden zult overwinnen – Krishna garandeert Arjuna's overwinning.
11-35
Sanjaya zei tot Dhritarashtra: O heerser, na het horen van deze woorden van de Allerhoogste Heer, buigt de trillende Arjuna keer op keer nederig voor Hem neer met gevouwen handen en smeekt, overweldigd door angst, Krishna met een bevende stem.
Uitleg: Arjuna, trillend en overweldigd door angst, buigt keer op keer nederig voor Krishna neer met gevouwen handen en smeekt Hem met een bevende stem. • Na het horen van deze woorden van de Allerhoogste Heer – Arjuna heeft gehoord wat Krishna heeft gezegd. • De trillende Arjuna buigt keer op keer nederig voor Hem neer met gevouwen handen – Arjuna's reactie is nederig en vol ontzag. • En smeekt, overweldigd door angst, Krishna met een bevende stem – Arjuna's smeekbede wordt in angst en met een bevende stem geuit.
11-36
Arjuna zei: O Heer der zintuigen, de wereld verheugt zich bij het horen van Uw naam, en zo hechten allen zich aan U. De volmaakten buigen respectvol voor U neer, maar de demonen vluchten, overweldigd door angst, naar alle kanten. Dit alles is terecht.
Uitleg: De volmaakten eren Krishna, maar de demonen vluchten, overweldigd door angst. • De wereld verheugt zich bij het horen van Uw naam, en zo hechten allen zich aan U – Mensen verheugen zich en worden toegewijd bij het horen van de naam van Krishna. • De volmaakten buigen respectvol voor U neer – Spiritueel ontwikkelde mensen buigen met respect voor Krishna. • Maar de demonen vluchten, overweldigd door angst, naar alle kanten – Boosaardige wezens zijn bang voor Krishna en vluchten. • Dit alles is terecht – Arjuna bevestigt dat deze reacties gerechtvaardigd zijn.
11-37
O Grote, die groter bent dan zelfs Heer Brahma, hoe zouden ze U niet eren? O Oneindige, God der goden, Toevlucht van het Universum, U bent de Onvergankelijke, de oorzaak van alle oorzaken, transcedent aan deze materiële wereld.
Uitleg: Arjuna benadrukt de oneindigheid en eeuwigheid van Krishna en dat Hij de toevlucht is van alle wezens. • O Grote, die groter bent dan zelfs Heer Brahma, hoe zouden ze U niet eren? – Arjuna vraagt hoe mensen Krishna niet zouden kunnen eren, die zelfs groter is dan Heer Brahma. • O Oneindige, God der goden, Toevlucht van het Universum – Arjuna spreekt Krishna aan met Zijn titels die oneindigheid en de hoogste status aangeven. • U bent de Onvergankelijke, de oorzaak van alle oorzaken, transcedent aan deze materiële wereld – Arjuna beschrijft Krishna als onvergankelijk, de oorzaak van alle dingen en transcendent aan de materiële wereld.
11-38
U bent de Oorspronkelijke God, de Eeuwige Goddelijke Persoonlijkheid, de oudste toevlucht van deze hele wereld. U bent de kenner van alles, en U bent alles wat gekend moet worden. U bent de hoogste woning, o Oneindige Vorm. U vervult het hele universum!
Uitleg: Arjuna erkent Krishna als de kenner van alles en alles wat gekend moet worden, als de hoogste woning en degene die het hele universum vervult met Zijn oneindige vorm. • U bent de Oorspronkelijke God, de Eeuwige Goddelijke Persoonlijkheid, de oudste toevlucht van deze hele wereld – Arjuna erkent Krishna als de oorspronkelijke God, het eeuwige wezen en de toevlucht. • U bent de kenner van alles, en U bent alles wat gekend moet worden – Krishna is degene die alles weet en het object van kennis is. • U bent de hoogste woning, o Oneindige Vorm – Krishna is de hoogste verblijfplaats. • U vervult het hele universum! – Krishna is alomtegenwoordig.
11-39
U bent de Wind, U bent de Allerhoogste Bestuurder! U bent het Vuur, U bent het Water, en U bent de Maan! U bent de Eerste Schepper, en U bent de Overgrootvader! Daarom buig ik nederig voor U, duizenden keren, steeds weer!
Uitleg: Arjuna erkent Krishna als de Wind, het Vuur, het Water, de Maan, de Eerste Schepper en de Overgrootvader, en betuigt zijn nederigheid door duizenden keren voor Hem te buigen. • U bent de Wind, U bent de Allerhoogste Bestuurder! U bent het Vuur, U bent het Water, en U bent de Maan! – Arjuna somt Krishna's verschillende manifestaties in de natuurelementen op. • U bent de Eerste Schepper, en U bent de Overgrootvader! – Krishna is de schepper van alle dingen en de vader van alle voorouders. • Daarom buig ik nederig voor U, duizenden keren, steeds weer! – Arjuna betuigt herhaaldelijk zijn nederigheid.
11-40
Ik buig voor U van alle kanten - van voren, van achteren en van de zijkanten! O Oneindige Kracht, U bent de bezitter van onmetelijke macht! U vervult alles, en daarom bent U alles!
Uitleg: Arjuna buigt voor Krishna van alle kanten en erkent Zijn oneindige kracht en het feit dat Krishna alles vervult. • Ik buig voor U van alle kanten - van voren, van achteren en van de zijkanten! – Arjuna toont volledige overgave door vanuit alle richtingen te buigen. • O Oneindige Kracht, U bent de bezitter van onmetelijke macht! – Arjuna erkent Krishna's oneindige kracht en macht. • U vervult alles, en daarom bent U alles! – Krishna is alomtegenwoordig en allesomvattend.
11-41
Omdat ik U als mijn vriend beschouwde, sprak ik U onbezonnen aan: O Krishna!, O Yadava!, O mijn vriend!, zonder Uw grootheid te beseffen.
Uitleg: Arjuna erkent dat hij Krishna onbezonnen als een vriend aansprak, zonder Zijn grootheid te beseffen. • Omdat ik U als mijn vriend beschouwde, sprak ik U onbezonnen aan: O Krishna!, O Yadava!, O mijn vriend! – Arjuna herinnert zich zijn informele aanspreekvorm. • Zonder Uw grootheid te beseffen – Arjuna erkent dat hij zich niet volledig bewust was van Krishna's ware aard.
11-42
Hoe ik U ook heb beledigd, gekscherend, spelend, rustend, zittend of samen etend, soms alleen, soms in aanwezigheid van anderen - voor dit alles vraag ik om vergeving, o Onmetelijke.
Uitleg: Arjuna vraagt om vergeving voor alle keren dat hij Krishna heeft beledigd, gekscherend, spelend, rustend, zittend of samen etend, alleen of in aanwezigheid van anderen. • Hoe ik U ook heb beledigd, gekscherend, spelend, rustend, zittend of samen etend – Arjuna somt situaties op waarin hij Krishna mogelijk heeft beledigd. • Soms alleen, soms in aanwezigheid van anderen - voor dit alles vraag ik om vergeving, o Onmetelijke – Arjuna vraagt om vergeving, ongeacht de omstandigheden.
11-43
U bent de Vader van het hele Universum, de eerbiedwaardige Leraar, de grootste van allen. Niemand is U gelijk, en wie zou U kunnen overtreffen in de drie werelden, o Heer met onmetelijke kracht?
Uitleg: Niemand is Hem gelijk en niemand kan Hem overtreffen. • U bent de Vader van het hele Universum, de eerbiedwaardige Leraar, de grootste van allen – Arjuna erkent Krishna als de schepper van alles, de leraar en de almachtigste. • Niemand is U gelijk, en wie zou U kunnen overtreffen in de drie werelden, o Heer met onmetelijke kracht? – Arjuna benadrukt Krishna's uniciteit en onovertroffenheid.
11-44
Daarom val ik voor U neer, U eerbiedigend, en vraag ik om Uw genade. Zoals een vader de tekortkomingen van een zoon verdraagt, een vriend die van een vriend, en een geliefde die van een geliefde, alstublieft, vergeef mij, o Heer.
Uitleg: Arjuna vergelijkt zijn verzoek met de tolerantie van een vader jegens een zoon, de vergeving van een vriend aan een vriend en de vergeving van een geliefde aan een geliefde. • Daarom val ik voor U neer, U eerbiedigend, en vraag ik om Uw genade – Arjuna toont volledige overgave en vraagt om genade. • Zoals een vader de tekortkomingen van een zoon verdraagt, een vriend die van een vriend, en een geliefde die van een geliefde, alstublieft, vergeef mij, o Heer – Arjuna vraagt om vergeving en vergelijkt de relatie met verschillende vormen van liefde.
11-45
Na Uw Universele Vorm te hebben gezien, die ik nog nooit eerder had gezien, ben ik verheugd, maar tegelijkertijd is mijn geest door angst overweldigd. Daarom, alstublieft, heb medelijden met mij en toon mij weer Uw Goddelijke Persoonlijkheidsvorm, o God der goden, Toevlucht van het Universum.
Uitleg: Hij vraagt Krishna om Zijn Goddelijke Persoonlijkheidsvorm weer te tonen, omdat, hoewel hij blij is met wat hij ziet, zijn geest tegelijkertijd door angst wordt overweldigd. • Na Uw Universele Vorm te hebben gezien, die ik nog nooit eerder had gezien, ben ik verheugd, maar tegelijkertijd is mijn geest door angst overweldigd – Arjuna uit gemengde gevoelens over de kosmische vorm die hij heeft gezien. • Daarom, alstublieft, heb medelijden met mij en toon mij weer Uw Goddelijke Persoonlijkheidsvorm, o God der goden, Toevlucht van het Universum – Arjuna vraagt Krishna om terug te keren naar een meer bekende en vredige vorm.
11-46
O Universele Vorm, Heer met duizend armen, ik wil U graag zien in Uw vierarmige vorm, met een helm op Uw hoofd en een knots, een schijf, een schelp en een lotusbloem in Uw handen. Ik verlang ernaar U in die vorm te zien.
Uitleg: Arjuna wil Krishna zien met een helm op zijn hoofd en een knots, een schijf, een schelp en een lotusbloem in zijn handen. • O Universele Vorm, Heer met duizend armen, ik wil U graag zien in Uw vierarmige vorm, met een helm op Uw hoofd en een knots, een schijf, een schelp en een lotusbloem in Uw handen – Arjuna specificeert welke vorm hij wil zien. • Ik verlang ernaar U in die vorm te zien – Arjuna uit zijn wens om Krishna weer in zijn meer bekende vorm te zien.
11-47
De Allerhoogste Heer zei: Met Mijn genade, Arjuna, heb Ik jou deze Allerhoogste Universele Vorm getoond door Mijn innerlijke vermogen. Niemand anders dan jij heeft deze oneindige, stralende, allesdoordringende, oorspronkelijke Vorm eerder gezien.
Uitleg: Niemand anders dan Arjuna heeft deze oneindige, stralende, allesdoordringende en oorspronkelijke Vorm eerder gezien. • Met Mijn genade, Arjuna, heb Ik jou deze Allerhoogste Universele Vorm getoond door Mijn innerlijke vermogen – Krishna legt uit dat de kosmische vorm door Zijn genade is onthuld. • Niemand anders dan jij heeft deze oneindige, stralende, allesdoordringende, oorspronkelijke Vorm eerder gezien – Krishna benadrukt dat deze ervaring uniek is voor Arjuna.
11-48
O beste van de Kuru-strijders, niemand anders dan jij heeft Mijn Universele Vorm gezien, want noch door Vedische studies, noch door offers, noch door liefdadigheid, noch door rituelen, noch door strenge ascese kan men Mij in deze materiële wereld zien.
Uitleg: Het is niet mogelijk om het te zien door Vedische studies, offers, liefdadigheid, rituelen of strenge ascese. • Niemand anders dan jij heeft Mijn Universele Vorm gezien – Krishna wijst herhaaldelijk op Arjuna's unieke ervaring. • Want noch door Vedische studies, noch door offers, noch door liefdadigheid, noch door rituelen, noch door strenge ascese kan men het in deze materiële wereld zien – Krishna benadrukt dat deze vorm niet bereikt kan worden door gewone spirituele praktijken.
11-49
Je bent van streek en verward bij het zien van deze Mijn verschrikkelijke vorm. Laat dit nu ophouden. Mijn dierbare, wees weer vrij van angst en onrust. Met een kalme geest kun je die vorm zien die je wilt.
Uitleg: Krishna biedt Arjuna aan om weer de vorm te zien die hij wenst, met een kalme geest. • Je bent van streek en verward bij het zien van deze Mijn verschrikkelijke vorm – Krishna merkt Arjuna's onrust op. • Laat dit nu ophouden. Mijn dierbare, wees weer vrij van angst en onrust – Krishna stelt Arjuna gerust en nodigt hem uit om angst los te laten. • Met een kalme geest kun je die vorm zien die je wilt – Krishna biedt Arjuna aan om de gewenste vorm te zien.
11-50
Sanjaya zei tegen Dhritarashtra: Nadat de Allerhoogste Heer dit tegen Arjuna had gezegd, onthulde Hij Zijn ware vierarmige vorm, en moedigde vervolgens, door een twee-armige vorm aan te nemen, de verontruste Arjuna aan.
Uitleg: Sanjaya vertelt de blinde koning Dhritarashtra hoe Krishna, na het verzoek van Arjuna te hebben gehoord, stopt met het tonen van Zijn kosmische vorm en Zijn vierarmige en daarna twee-armige vorm onthult, waarmee Hij de verontruste Arjuna aanmoedigt. • Nadat de Allerhoogste Heer dit tegen Arjuna had gezegd, onthulde Hij Zijn ware vierarmige vorm, en moedigde vervolgens, door een twee-armige vorm aan te nemen, de verontruste Arjuna aan – Sanjaya beschrijft Krishna's transformaties. • Sanjaya zei tegen Dhritarashtra – Sanjaya spreekt Dhritarashtra aan.
11-51
Toen Arjuna Krishna in Zijn oorspronkelijke vorm zag, zei hij: O trooster van het hart der mensen, bij het zien van deze menselijke vorm, zo mooi, is mijn geest weer kalm en vind ik mijn natuurlijke toestand terug.
Uitleg: Arjuna zegt, na Krishna in Zijn oorspronkelijke vorm te hebben gezien, dat zijn geest nu kalm is en hij zijn natuurlijke toestand terugvindt. • Toen Arjuna Krishna in Zijn oorspronkelijke vorm zag, zei hij – Arjuna reageert bij het zien van Krishna in Zijn gebruikelijke vorm. • O trooster van het hart der mensen, bij het zien van deze menselijke vorm, zo mooi, is mijn geest weer kalm en vind ik mijn natuurlijke toestand terug – Arjuna drukt opluchting en rust uit.
11-52
De Allerhoogste Heer zei: Mijn beste Arjuna, deze Mijn vorm die je nu ziet is zeer moeilijk te zien. Zelfs de goden verlangen er altijd naar om deze zo aantrekkelijke vorm te zien.
Uitleg: Deze vorm is zeer aantrekkelijk. • Mijn beste Arjuna, deze Mijn vorm die je nu ziet is zeer moeilijk te zien – Krishna benadrukt dat Zijn menselijke vorm niet gemakkelijk te zien is. • Zelfs de goden verlangen er altijd naar om deze zo aantrekkelijke vorm te zien – Krishna onthult dat zelfs de goden deze vorm willen zien.
11-53
Deze Mijn vorm die je zojuist met je spirituele ogen hebt gezien, kan niet worden gezien door Vedische studies, noch door strenge ascese, noch door liefdadigheid, noch door offers. Daarmee alleen kan men Mij niet zien zoals Ik ben.
Uitleg: Het kan alleen worden gezien door middel van zuivere spirituele dienstbaarheid. • Deze Mijn vorm die je zojuist met je spirituele ogen hebt gezien – Krishna herinnert Arjuna aan zijn recente visioen. • Kan niet worden gezien door Vedische studies, noch door strenge ascese, noch door liefdadigheid, noch door offers. Daarmee alleen kan men Mij niet zien zoals Ik ben – Krishna benadrukt nogmaals dat dit visioen niet door gewone spirituele praktijken kan worden bereikt.
11-54
Mijn beste Arjuna, alleen door onverdeelde spirituele dienstbaarheid kan men Mij kennen zoals Ik ben, voor je staand, en Mij zo rechtstreeks zien. Alleen zo kun je doordringen tot de geheimen van Mijn wezen.
Uitleg: Alleen door dergelijke toewijding kan men Krishna leren kennen, Hem rechtstreeks zien en doordringen tot de geheimen van Zijn wezen. • Mijn beste Arjuna, alleen door onverdeelde spirituele dienstbaarheid kan men Mij kennen zoals Ik ben, voor je staand, en Mij zo rechtstreeks zien – Krishna wijst op het belang van spirituele dienstbaarheid voor het kennen van God. • Alleen zo kun je doordringen tot de geheimen van Mijn wezen – Krishna legt uit dat spirituele dienstbaarheid leidt tot een dieper begrip.
11-55
Mijn beste Arjuna, hij die zuivere spirituele dienstbaarheid verricht, vrij van de vruchten van vroegere activiteiten en speculaties, voor Mij werkt, Mij tot het hoogste doel van zijn leven maakt en vriendelijk is jegens alle levende wezens, komt zeker tot Mij.
Uitleg: Zij die voor Hem handelen, Hem als hun hoogste doel beschouwen en vriendelijk zijn jegens alle levende wezens, komen zeker tot Hem. • Mijn beste Arjuna, hij die zuivere spirituele dienstbaarheid verricht, vrij van de vruchten van vroegere activiteiten en speculaties – Krishna beschrijft de essentie van zuivere spirituele dienstbaarheid. • Voor Mij werkt, Mij tot het hoogste doel van zijn leven maakt en vriendelijk is jegens alle levende wezens, komt zeker tot Mij – Krishna beschrijft de weg naar Hem.
-1- -2- -3- -4- -5- -6- -7- -8- -9- -10- -11- -12- -13- -14- -15- -16- -17- -18-