-1- -2- -3- -4- -5- -6- -7- -8- -9- -10- -11- -12- -13- -14- -15- -16- -17- -18-
13-1
Arjuna zei: O mijn lieve Kṛṣṇa, ik wens meer te weten te komen over materie en Geest, lichaam en ziel, kennis en het doel van kennis.
Uitleg: In dit vers geeft Arjuna zijn wens te kennen om meer te weten te komen over de basisbegrippen die essentieel zijn op het spirituele pad. Hij wil de concepten materie en Geest, lichaam en ziel, kennis en het doel van kennis begrijpen, die essentieel zijn om zijn ware aard en relatie met het Goddelijke te begrijpen.
13-2
De Allerhoogste Heer zei: Dit lichaam, o zoon van Kuntī, wordt het veld genoemd, en degene die dit veld kent, wordt de kenner van het veld genoemd.
Uitleg: In dit vers geeft Kṛṣṇa definities van het lichaam als het veld en de ziel als de kenner van het veld. Het lichaam is het veld van activiteit, maar de ziel is degene die zich bewust is van dit veld en wat daarin gebeurt.
13-3
O, nakomeling van Bharata, begrijp dat Ik ook de kenner ben in alle lichamen, en kennis is het begrijpen van dit lichaam en de kenner ervan. Dit is Mijn mening.
Uitleg: In dit vers onthult Krishna dat Hij de Allerhoogste Kenner is, aanwezig in alle lichamen. Hij is niet alleen de kenner van de individuele ziel, maar ook zich bewust van de Superziel, die elk levend wezen vergezelt als getuige en toestemminggever. Hij benadrukt dat ware kennis het begrijpen is van het lichaam en de kenner ervan – zowel de individuele ziel als de Superziel.
13-4
Luister nu naar Mijn korte beschrijving van dit veld van activiteit en hoe het is samengesteld, wat de transformaties ervan zijn, waar het vandaan komt, wie de kenner van dit veld is en wat zijn invloed is.
Uitleg: In dit vers nodigt Krishna Arjuna uit om te luisteren naar Zijn uitleg over het veld van activiteit (het lichaam), de structuur ervan, transformaties, oorsprong, evenals over de kenner van het veld (de ziel) en zijn invloed. Deze uitleg zal Arjuna helpen de interactie tussen materie en geest beter te begrijpen.
13-5
Deze kennis over het veld van activiteit en de kenner van activiteit is door verschillende wijzen in verschillende Vedische geschriften beschreven. Het wordt in het bijzonder uitgelegd in de Vedanta-sutra, waar oorzaken en gevolgen volledig worden gerechtvaardigd.
Uitleg: In dit vers geeft Krishna aan dat de kennis over het veld van activiteit en de kenner ervan niet nieuw is, maar in verschillende Vedische geschriften te vinden is, beschreven door oude wijzen. Hij benadrukt in het bijzonder de Vedanta-sutra, waar dit onderwerp gedetailleerd wordt besproken, met een logische onderbouwing van oorzaken en gevolgen.
13-6
De vijf grove elementen, het valse ego, de intelligentie, het ongemanifesteerde, de tien zintuigen en de geest, de vijf objecten van de zintuigen.
Uitleg: In dit vers begint Krishna met het opsommen van de bestanddelen van het veld, oftewel het lichaam. De vijf grove elementen zijn aarde, water, vuur, lucht en ether – de ruimte waarin de andere elementen zich manifesteren. Het valse ego is een verkeerde opvatting van zichzelf als het lichaam. De intelligentie is het vermogen om te denken en analyseren. Het ongemanifesteerde is de subtiele materie waaruit alles voortkomt. De tien zintuigen omvatten de vijf waarnemingszintuigen (zien, horen, ruiken, proeven, voelen) en de vijf handelingszintuigen (spreken, grijpen, lopen, uitscheiden en voortplanten). De geest is het interne instrument dat informatie verwerkt. De vijf objecten van de zintuigen zijn geluid, tastzin, vorm, smaak en geur.
13-7
Verlangen, haat, geluk, lijden, het hele lichaam, de levensverschijnselen en overtuiging – dit alles samen wordt beschouwd als het veld van activiteit en zijn transformaties.
Uitleg: In dit vers gaat Krishna verder met het beschrijven van de manifestaties van het veld van activiteit, oftewel het lichaam. Verlangen en haat, geluk en lijden zijn emoties die in het lichaam ontstaan. Het hele lichaam is een manifestatie van het veld, dat zowel grove als subtiele elementen omvat. Levensverschijnselen zijn de lichaamsfuncties die het leven in stand houden. Overtuiging is een diepgewortelde overtuiging die handelen stuurt. Al deze manifestaties zijn onderhevig aan transformaties en maken deel uit van het veld van activiteit.
13-8
Nederigheid, eenvoud, onthouding van geweld, verdraagzaamheid, eerlijkheid, dienstbaarheid aan een ware spirituele leraar, zuiverheid, standvastigheid en zelfbeheersing.
Uitleg: In dit vers begint Krishna met het opsommen van de kwaliteiten die nodig zijn om ware kennis te verwerven en zich te bevrijden van de beperkingen van het veld van activiteit. Nederigheid betekent het verminderen van het ego. Eenvoud betekent het afzien van bombastische taal en veinzerij. Onthouding van geweld betekent geen fysieke of emotionele schade toebrengen aan anderen. Verdraagzaamheid betekent het vermogen om moeilijkheden en ongemakken te verdragen. Eerlijkheid betekent waarachtigheid in woord en daad. Dienstbaarheid aan een ware spirituele leraar is essentieel om de juiste begeleiding op het spirituele pad te ontvangen. Zuiverheid heeft betrekking op zowel uiterlijke als innerlijke reinheid. Standvastigheid betekent een stevige vasthoudendheid aan spirituele principes. Zelfbeheersing betekent het vermogen om de eigen verlangens en impulsen te beheersen.
13-9
Verzaking van zintuiglijk genot, bevrijding van het valse ego en begrip van het kwaad dat inherent is aan geboorte, dood, ouderdom en ziekte.
Uitleg: In dit vers vervolgt Krishna met het opsommen van kwaliteiten die helpen om de gehechtheid aan de materiële wereld los te laten. Verzaking van zintuiglijk genot betekent het niet toegeven aan buitensporige verlangens. Bevrijding van het valse ego betekent begrijpen dat we geen lichaam zijn, maar een eeuwige ziel. Begrip van het kwaad dat inherent is aan geboorte, dood, ouderdom en ziekte, helpt de lijdende aard van het materiële bestaan te begrijpen en motiveert om spirituele toevlucht te zoeken.
13-10
Geen gehechtheid aan kinderen, vrouw, huis en de rest, een evenwichtige geest in de aanwezigheid van het wenselijke en onwenselijke.
Uitleg: In dit vers benadrukt Krishna de noodzaak om buitensporige gehechtheid aan familie en bezittingen los te laten, evenals om een evenwichtige geest te behouden in zowel gunstige als ongunstige omstandigheden. Dit betekent niet dat men het gezin moet verlaten of verplichtingen moet negeren, maar dat men zich moet bevrijden van emotionele afhankelijkheid en innerlijke rust moet ontwikkelen.
13-11
Constante en zuivere spirituele dienst aan Mij, verblijf in afgelegen plaatsen, afzondering van de massa's mensen.
Uitleg: In dit vers spreekt Krishna over constante en zuivere spirituele dienst als een belangrijke praktijk op het spirituele pad. Verblijf in afgelegen plaatsen en afzondering van de massa's mensen helpt om zich te concentreren op de spirituele praktijk en onnodige afleidingen te vermijden. Dit betekent geen volledige isolatie van de samenleving, maar een bewuste keuze voor een omgeving die spirituele groei bevordert.
13-12
Het beseffen van het belang van zelfrealisatie en de filosofische zoektocht naar de Absolute Waarheid – dit alles verklaar Ik tot kennis, en al het andere tot onwetendheid.
Uitleg: In dit vers sluit Krishna de samenvatting van de eerder opgesomde kwaliteiten en principes af door ze tot ware kennis te verklaren. Het beseffen van het belang van zelfrealisatie en de zoektocht naar de Absolute Waarheid zijn de hoekstenen van spirituele groei. Alles wat van deze principes verschilt, is onwetendheid, die spirituele vooruitgang belemmert. Deze kennis helpt de mens om zich te bevrijden van de beperkingen van de materiële wereld en dichter bij het Goddelijke te komen.
13-13
Nu zal Ik je uitleggen wat men moet weten, en door dit te weten, zul je het eeuwige ervaren. Dit wordt de Allerhoogste Waarheid genoemd, die geen begin heeft en ondergeschikt is aan Mij. Ze bevindt zich buiten de oorzaken en gevolgen van deze materiële wereld.
Uitleg: In dit vers markeert Kṛṣṇa de overgang naar de uitleg van de Allerhoogste Waarheid, ofwel het Goddelijke. Deze Waarheid is eeuwig, zonder begin, en bevindt zich buiten de wetten van oorzaak en gevolg die in de materiële wereld gelden. Ze is ondergeschikt aan Hem als de Allerhoogste Heer van alles.
13-14
Overal zijn Zijn handen en voeten, Zijn ogen, hoofden en gezichten, en Hij heeft overal oren. Op die manier doordringt de Allerhoogste Ziel alles.
Uitleg: In dit vers beschrijft Kṛṣṇa op beeldende wijze de alomtegenwoordigheid van de Allerhoogste Ziel. Hoewel het Goddelijke geen materieel lichaam heeft, is Zijn aanwezigheid en invloed overal voelbaar. Hij is de bron en instandhouder van al het bestaande, en Zijn bewustzijn doordringt de hele schepping.
13-15
De Allerhoogste Ziel is de oorspronkelijke bron van alle zintuigen, maar Zelf is Hij zonder zintuigen. Hij is ongebonden, hoewel Hij de instandhouder is van alle wezens. Hij staat boven de eigenschappen van de materiële natuur en is tegelijkertijd de meester van al deze eigenschappen.
Uitleg: In dit vers vervolgt Kṛṣṇa de uitleg over de transcendente aard van de Allerhoogste Ziel. Hij is de oorspronkelijke bron van alle zintuigen, hoewel Hij Zelf geen materiële zintuigorganen heeft. Hij is nergens aan gebonden, maar houdt tegelijkertijd het bestaan van alle wezens in stand. Hij staat boven de eigenschappen van de materiële natuur (goedheid, hartstocht en onwetendheid), maar is tegelijkertijd de meester van deze eigenschappen en beheerst ze.
13-16
De Allerhoogste Waarheid bevindt zich buiten en binnen alle wezens, bewegende en niet-bewegende. Omdat Hij subtiel is, kan men Hem niet begrijpen met de materiële zintuigen. Hoewel Hij heel ver weg is, is Hij ook dichtbij iedereen.
Uitleg: In dit vers benadrukt Kṛṣṇa de allesomvattende aanwezigheid van de Allerhoogste Waarheid – zowel buiten als binnen alle wezens, bewegende en niet-bewegende. Ze is zo subtiel dat men haar niet met de materiële zintuigen kan bevatten. Hoewel de Allerhoogste Waarheid ver weg en onbereikbaar kan lijken, is ze ook heel dichtbij, omdat ze in ieders hart aanwezig is.
13-17
Hoewel de Allerhoogste Ziel verdeeld lijkt over alle wezens, is Hij nooit verdeeld. Hij is één geheel. Hoewel Hij de instandhouder is van alle levende wezens, moet men begrijpen dat Hij alles opslokt en alles schept.
Uitleg: In dit vers legt Kṛṣṇa uit dat hoewel de Allerhoogste Ziel verdeeld kan lijken omdat Hij in elk levend wezen aanwezig is, Hij in werkelijkheid één geheel en ondeelbaar is. Hij is de instandhouder van alle wezens, maar tegelijkertijd ook de schepper en vernietiger, die alles in zich opslokt. Dit vers benadrukt de eenheid en allesomvattende aard van het Goddelijke.
13-18
Hij is de bron van het licht van alle lichamen van licht. Hij staat buiten de duisternis van de materie en is onmanifest. Hij is kennis, Hij is het object van kennis en Hij is het doel van kennis. Hij woont in het hart van iedereen.
Uitleg: In dit vers beschrijft Kṛṣṇa de Allerhoogste Ziel als de bron van het licht van al het bestaande, die zich buiten de duisternis van de materie bevindt. Hij is onmanifest en transcendent. Hij is zowel kennis, het object van kennis als het doel van kennis, en Hij woont in ieders hart als het centrum en de gids van al het bestaande.
13-19
Zo heb Ik je in het kort het veld van activiteit (het lichaam), de kennis en het object van kennis uitgelegd. Alleen Mijn toegewijde dienaren kunnen dit volledig begrijpen en zo Mijn wezen bereiken.
Uitleg: In dit vers vat Kṛṣṇa de eerder gegeven uitleg over het lichaam, de kennis en het object van kennis samen. Alleen Zijn toegewijde dienaren, die zich aan Hem hebben toegewijd, kunnen deze leringen volledig begrijpen en zo Zijn goddelijke wezen bereiken.
13-20
Men moet weten dat materie en levende wezens zonder begin zijn. Hun transformaties en materiële eigenschappen komen voort uit de materie.
Uitleg: In dit vers legt Kṛṣṇa uit dat zowel materie als levende wezens (zielen) eeuwig zijn en geen begin hebben. Alle transformaties en eigenschappen die we in de materiële wereld zien, komen voort uit de interactie van materie, niet uit de ziel.
13-21
Er wordt gezegd dat de natuur de bron is van alle materiële oorzaken en gevolgen, maar het levende wezen is de oorzaak van verschillende vormen van lijden en plezier in deze wereld.
Uitleg: In dit vers legt Kṛṣṇa de rol van de natuur en het levende wezen in de materiële wereld uit. De natuur is de bron van alle materiële oorzaken en gevolgen; ze creëert lichamen en omstandigheden. Het levende wezen ervaart, in deze materiële omgeving, verschillende vormen van lijden en plezier, afhankelijk van zijn interactie met de natuur en haar eigenschappen.
13-22
Zo volgt het levende wezen in de materiële natuur de wegen van het leven en geniet het van de drie eigenschappen van de materiële natuur. Dit gebeurt omdat het in aanraking komt met materie. Zo ervaart het goede en kwade in verschillende vormen van bestaan.
Uitleg: In dit vers vervolgt Kṛṣṇa de uitleg over de ervaring van het levende wezen in de materiële wereld. Het levende wezen geniet van de invloed van de drie eigenschappen van de materiële natuur, en deze aanraking met materie bepaalt dat het levende wezen in verschillende vormen van bestaan wordt geboren en zowel het goede als het kwade ervaart.
13-23
Toch is er in het lichaam nog een andere, transcendentale genieter, en dat is de Heer, de Allerhoogste bezitter, die aanwezig is als toezichthouder en toestemminggever en die de Superziel wordt genoemd.
Uitleg: In dit vers onthult Kṛṣṇa dat er naast de individuele ziel nog een ander in het lichaam aanwezig is: de Superziel, die de transcendentale genieter, de Heer en de Allerhoogste bezitter is. Hij is aanwezig als getuige, toezichthouder en toestemminggever voor alle activiteiten die de individuele ziel uitvoert.
13-24
Wie deze kennis over het levend wezen, de materie en de interactie tussen beide begrijpt, zal zeker bevrijding bereiken. Hij zal hier niet meer geboren worden, wat zijn huidige staat ook is.
Uitleg: In dit vers benadrukt Kṛṣṇa dat begrip van het levend wezen, de materie en de interactie tussen beide de weg is naar bevrijding van de cyclus van wedergeboorte. Dit begrip helpt te begrijpen dat de ziel niet het lichaam is en dat deze eeuwig en onveranderlijk is. Wie deze kennis werkelijk begrijpt, zal niet meer in de materiële wereld geboren worden, ongeacht zijn huidige staat of omstandigheden. Begrip is de sleutel tot spirituele vrijheid.
13-25
Sommigen zien door middel van meditatie de Superziel in zichzelf, anderen door het cultiveren van kennis, en weer anderen door onbaatzuchtige actie.
Uitleg: In dit vers wijst Kṛṣṇa op drie belangrijke wegen waarop mensen tot het besef van de Superziel kunnen komen: contemplatie, zelfrealisatie en dienstbaarheid aan God. Elk van deze wegen is geschikt voor een bepaald karakter en niveau van begrip van de mens.
13-26
Er zijn er ook die, zonder spirituele kennis te bezitten, de Allerhoogste beginnen te aanbidden door over Hem van anderen te horen. Omdat ze ernaar verlangen om naar autoriteiten te luisteren, verheffen ook zij zich boven de weg van geboorte en dood.
Uitleg: In dit vers spreekt Kṛṣṇa over degenen die, zonder zelf spirituele kennis te verwerven, de Allerhoogste beginnen te aanbidden door over Hem van gezaghebbende bronnen te horen. Ook zulke mensen kunnen, dankzij hun bereidheid om te luisteren en instructies op te volgen, zich boven de cyclus van geboorte en dood verheffen.
13-27
O beste van de Bharata-dynastie, weet dat alles wat bestaat – zowel het bewegende als het niet-bewegende – slechts een combinatie is van het veld van activiteit en de kenner van het veld.
Uitleg: In dit vers vat Kṛṣṇa samen dat alles wat in de materiële wereld bestaat, zowel het bewegende als het niet-bewegende, het resultaat is van de combinatie van het veld van activiteit (het lichaam) en de kenner van het veld (de ziel). Deze interactie is de basis van al het bestaande en dat het lichaam en de ziel met elkaar verbonden zijn, maar tegelijkertijd verschillend.
13-28
Wie ziet dat de Superziel de individuele ziel in alle lichamen vergezelt en dat noch de ziel, noch de Superziel vergaat in het steeds veranderende lichaam, ziet werkelijk.
Uitleg: In dit vers legt Kṛṣṇa uit dat werkelijk zien betekent de aanwezigheid van de Superziel in alle lichamen zien, die de individuele ziel vergezelt. Zowel de ziel als de Superziel zijn eeuwig en vergaan niet, hoewel het lichaam aan vernietiging onderhevig is, en dat dit begrip de basis vormt van waarachtig spiritueel zien.
13-29
Wie de Superziel overal en in iedereen gelijk ziet, veracht zichzelf niet met zijn eigen geest. Zo nadert hij het transcendentale doel.
Uitleg: In dit vers geeft Kṛṣṇa aan dat wie de gelijke aanwezigheid van de Superziel overal en in iedereen kan zien, niet toestaat dat zijn geest hem veracht en misleidt. Een dergelijk begrip helpt het transcendentale doel te naderen – spirituele bevrijding en eenheid met het Goddelijke.
13-30
Wie ziet dat alle handelingen door het lichaam worden verricht, dat uit materie is voortgekomen, maar dat de ziel niets doet, ziet werkelijk.
Uitleg: In dit vers benadrukt Kṛṣṇa dat een waar begrip is te beseffen dat alle handelingen in de materiële wereld worden verricht door het lichaam, dat uit materie is voortgekomen, maar dat de ziel zelf de doener niet is. De ziel is slechts de toeschouwer en haar ware aard is transcedent en niet gebonden aan de activiteiten van het lichaam.
13-31
Wanneer een intelligent persoon ophoudt verschillende wezens te beschouwen in overeenstemming met hun materiële lichamen en ziet dat de zielen overal aanwezig zijn, bereikt hij het begrip van de Allerhoogste Waarheid.
Uitleg: In dit vers legt Kṛṣṇa uit dat een intelligent persoon die in staat is de lichamelijke verschillen te overstijgen en de aanwezigheid van zielen overal te zien, het begrip van de Allerhoogste Waarheid bereikt. Dit begrip betekent het zien van de spirituele eenheid van alle wezens en het besef van hun verbinding met het Goddelijke.
13-32
Zij die met de ogen van de eeuwigheid kijken, kunnen zien dat de ziel transcendentaal, eeuwig en buiten de eigenschappen van de materie staat. O zoon van Kuntī, hoewel de ziel het materiële lichaam ontmoet, doet ze niets en is ze niet gebonden.
Uitleg: In dit vers geeft Kṛṣṇa aan dat zij die met de ogen van de eeuwigheid naar de wereld kijken, d.w.z. met spiritueel begrip, zien dat de ziel transcendentaal, eeuwig is en zich buiten de invloed van de eigenschappen van de materiële natuur bevindt. Hoewel de ziel in contact komt met het materiële lichaam, doet ze in werkelijkheid niets en is ze niet gebonden aan de activiteiten van het lichaam.
13-33
De allesdoordringende lucht vermengt zich vanwege haar subtiliteit met niets. Evenzo vermengt de ziel die zich bewust is van het Goddelijke zich niet met het lichaam, hoewel ze erin aanwezig is.
Uitleg: In dit vers gebruikt Krishna de vergelijking met de lucht, die zich door haar subtiliteit met niets vermengt, om te illustreren hoe de ziel die zich bewust is van het Goddelijke, niet gebonden blijft aan het lichaam, hoewel ze erin aanwezig is. Hier wordt lucht vergeleken met ether, niet met de gewone lucht, en de spirituele aard van de ziel stelt haar in staat vrij te blijven van de invloeden van de materiële wereld.
13-34
O afstammeling van Bharata, zoals de zon in haar eentje dit hele universum verlicht, zo verlicht het ene levende wezen in het lichaam het hele lichaam met bewustzijn.
Uitleg: In dit vers gebruikt Krishna de vergelijking met de zon om uit te leggen hoe de ziel, die zich in het lichaam bevindt, het hele lichaam met bewustzijn verlicht. Zoals de zon, hoewel één, het hele universum verlicht, zo geeft de ziel, hoewel één, bewustzijn aan het hele lichaam.
13-35
Zij die met de ogen van kennis het verschil zien tussen het lichaam en de kenner van het lichaam, en het proces van bevrijding van de banden van materie begrijpen, bereiken ook het hoogste doel.
Uitleg: In dit vers sluit Krishna het hoofdstuk af door te benadrukken dat zij die met de ogen van kennis het verschil kunnen zien tussen het lichaam en de ziel, en het proces van bevrijding van de banden van de materiële wereld begrijpen, het hoogste spirituele doel bereiken: bevrijding en eenheid met het Goddelijke. Dit begrip is de sleutel tot spirituele verlichting en maakt het mogelijk het hoogste doel te bereiken.
-1- -2- -3- -4- -5- -6- -7- -8- -9- -10- -11- -12- -13- -14- -15- -16- -17- -18-