-1-   -2-   -3-   -4-   -5-   -6-   -7-   -8-   -9-   -10-   -11-   -12-   -13-   -14-   -15-   -16-   -17-   -18-

14-1

De Allerhoogste Heer zei: Ik zal je opnieuw deze hoogste wijsheid onthullen, de beste van alle kennis, die door alle wijzen is verworven en tot de hoogste volmaaktheid heeft geleid.

Uitleg: In dit vers kondigt Krishna aan dat Hij Arjuna opnieuw de hoogste wijsheid zal onthullen, het beste deel van alle kennis. Deze wijsheid heeft alle wijzen in staat gesteld de hoogste volmaaktheid te bereiken, d.w.z. bevrijding en eenheid met het Goddelijke. In dit vers begint Krishna met het opsommen van de goddelijke kwaliteiten van degenen die het pad van spirituele ontwikkeling bewandelen, en deze kwaliteiten helpen een persoon zich te bevrijden van de beperkingen van de materiële wereld en het Goddelijke naderbij te komen.

14-2

Door stevig vast te houden aan deze kennis kan men een transcendente natuur bereiken die gelijk is aan de Mijne. Wie dit heeft bereikt, wordt niet meer wedergeboren ten tijde van de schepping en is niet verontrust ten tijde van de vernietiging.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat door stevig vast te houden aan deze hoogste kennis, een persoon een transcendente natuur kan bereiken die gelijk is aan Zijn eigen goddelijke natuur. Wie dit heeft bereikt, bevrijdt zich van de cyclus van geboorte en dood – hij wordt niet meer wedergeboren ten tijde van de schepping en is niet verontrust ten tijde van de vernietiging, omdat hij een eeuwig, spiritueel bestaan heeft bereikt.

14-3

Alle materie, de zogenaamde Allerhoogste, is de bron van geboorte, en Ik bevracht deze Allerhoogste, o afstammeling van Bharata, waardoor de geboorte van alle wezens mogelijk wordt.

Uitleg: In dit vers onthult Krishna dat alle materie de bron van geboorte is, en Hij is degene die deze materie bevrucht, waardoor de geboorte van alle levende wezens mogelijk wordt. Dit vers symboliseert de interactie tussen het Goddelijke en de materie, waardoor leven ontstaat. In dit vers beëindigt Krishna de opsomming van de goddelijke kwaliteiten, en deze kwaliteiten worden bezeten door goddelijke wezens die met een goddelijke natuur zijn begiftigd en zich op het juiste pad van spirituele ontwikkeling bevinden.

14-4

Begrijp, o zoon van Kunti, dat alle wezens in deze materiële natuur geboren kunnen worden en dat Ik de zaadgevende vader ben.

Uitleg: In dit vers legt Krishna verder uit dat alle levende wezens, ongeacht hun soort, in deze materiële natuur geboren kunnen worden. Hij benadrukt nogmaals dat Hij de vader van alle wezens is, de zaadgevende vader, die de materie bevrucht en de opkomst van leven mogelijk maakt. In dit vers begint Krishna met het beschrijven van de demonische kwaliteiten, die het tegenovergestelde zijn van de goddelijke, en deze kwaliteiten worden bezeten door degenen wier bewustzijn is overgenomen door een demonische aard en die ver verwijderd zijn van spiritueel begrip.

14-5

Materie bestaat uit drie hoedanigheden: goedheid, hartstocht en onwetendheid. Wanneer het eeuwige levende wezen in contact komt met materie, o sterkarme Arjuna, beperken deze hoedanigheden het.

Uitleg: In dit vers introduceert Krishna het concept van de drie hoedanigheden van de materiële natuur (goedheid, hartstocht en onwetendheid). Hij legt uit dat wanneer het eeuwige levende wezen (de ziel) in contact komt met materie, het wordt beperkt door deze hoedanigheden, die zijn ervaringen en acties in de materiële wereld bepalen. In dit vers legt Krishna uit dat goddelijke kwaliteiten leiden tot bevrijding van het lijden en de verplichtingen van de materiële wereld, terwijl demonische kwaliteiten leiden tot verdere dienstbaarheid aan de materie, en Arjuna hoeft niet bedroefd te zijn, omdat hij met goddelijke kwaliteiten is geboren, wat betekent dat hij het potentieel heeft om spirituele bevrijding te bereiken.

14-6

O zondeloze, de hoedanigheid goedheid, die zuiverder is dan de andere hoedanigheden, verlicht en bevrijdt van zondige gevolgen. Zij die zich onder invloed van deze hoedanigheid bevinden, raken gehecht aan het besef van geluk en kennis.

Uitleg: In dit vers begint Krishna met het afzonderlijk uitleggen van elk van de drie hoedanigheden. De hoedanigheid goedheid is de zuiverste van allemaal, ze verlicht de geest van de mens en bevrijdt van de gevolgen van zonde. Ze hecht de mens echter aan het besef van geluk en kennis, waardoor een soort spiritueel comfort ontstaat dat een obstakel kan vormen voor volledige bevrijding. In dit vers legt Krishna uit dat er in deze wereld twee soorten geschapen wezens zijn – goddelijke en demonische – en Hij heeft uitvoerig verteld over de goddelijke kwaliteiten en bereidt zich nu voor om de demonische kwaliteiten en hun invloed op het menselijk leven te beschrijven.

14-7

De hoedanigheid hartstocht ontstaat uit onbegrensde verlangens en lust, o zoon van Kunti, en ze bindt het geïncarneerde levende wezen aan vruchtbare activiteit.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna de hoedanigheid hartstocht, die voortkomt uit onbegrensde verlangens en lust. Deze hoedanigheid bindt het geïncarneerde levende wezen aan actie gericht op het bereiken van resultaten, waardoor de ziel verstrikt raakt in de cyclus van materiële verlangens en hun vervulling. In dit vers beschrijft Krishna het onvermogen van demonische wezens om onderscheid te maken tussen correct en incorrect handelen, en ze missen zuiverheid, correct gedrag en begrip van de waarheid, en ze weten niet hoe te handelen in overeenstemming met spirituele principes en morele normen.

14-8

O afstammeling van Bharata, weet dat de eigenschap van onwetendheid, geboren uit onwetendheid, alle belichaamde wezens misleidt. Deze eigenschap bindt met waanzin, luiheid en slaap.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna de eigenschap van onwetendheid, die voortkomt uit onwetendheid en alle belichaamde wezens misleidt. Deze eigenschap bindt de ziel met waanzin, luiheid en slaap, d.w.z. met inertie, apathie en geestelijke duisternis. In dit vers onthult Krishna de misleidende opvattingen van demonische wezens over de structuur en betekenis van de wereld, en ze ontkennen het bestaan van God en geloven dat de wereld toevallig is, zonder basis, en dat haar enige drijvende kracht lust en seksueel verlangen is.

14-9

O afstammeling van Bharata, de eigenschap van goedheid bindt met geluk, de eigenschap van passie met vruchtbare actie, maar de eigenschap van onwetendheid, die de kennis van wezens bedekt, bindt met waanzin.

Uitleg: In dit vers vat Krishna de invloed van de drie eigenschappen op een levend wezen samen. Goedheid bindt met een gevoel van geluk, passie met actie gericht op het bereiken van resultaten, maar onwetendheid, die kennis verduistert, bindt met waanzin, inertie en geestelijke blindheid. In dit vers beschrijft Krishna de acties van demonische wezens die voortkomen uit hun misleidende opvattingen, en ze hebben de band met hun ware aard verloren, handelen onredelijk en houden zich bezig met slechte, destructieve acties die gericht zijn op de vernietiging van de wereld.

14-10

Soms, o afstammeling van Bharata, door de eigenschappen van passie en onwetendheid te overwinnen, neemt de eigenschap van goedheid de overhand. Soms overwint de eigenschap van passie goedheid en onwetendheid, maar soms, o Arjuna, overwint de eigenschap van onwetendheid goedheid en passie. De eigenschappen strijden altijd om de overhand.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat de drie eigenschappen van de materiële natuur voortdurend met elkaar strijden om de dominante positie in het menselijk bewustzijn. Soms krijgt goedheid de overhand, soms passie, en soms onwetendheid. Deze strijd bepaalt iemands acties, gedachten en emotionele toestand. In dit vers verklaart Krishna de motivatie van de acties van demonische wezens, en ze vinden hun toevlucht in onverzadigbare lust, die nooit volledig kan worden bevredigd, en zijn verzonken in trots, ijdelheid en valse ambitie, wat leidt tot waanideeën en gehechtheid aan tijdelijke, onechte waarden.

14-11

De manifestatie van de eigenschap van goedheid kan worden ervaren wanneer alle deuren van het lichaam verlicht zijn met kennis.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna de manifestatie van de eigenschap van goedheid, die wordt gevoeld als een innerlijke verlichting en een toestroom van kennis op alle niveaus van waarneming. Wanneer goedheid domineert in iemands bewustzijn, wordt zijn waarneming helder en is hij beter in staat om geestelijke zaken te begrijpen.

14-12

O beste van Bharata's geslacht, wanneer de eigenschap van passie toeneemt, ontwikkelen zich sterke gehechtheden, vruchtbare activiteiten, aanhoudende inspanningen, evenals onbedwingbare verlangens en neigingen.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna de tekenen van een toename van de eigenschap van passie. Deze manifesteren zich als sterke gehechtheid aan materiële resultaten, verhoogde activiteit, aanhoudende inspanningen, evenals onbedwingbare verlangens en neigingen. De mens wordt een slaaf van zijn verlangens en passies. In dit vers blijft Krishna de misleidende levensperceptie van demonische wezens beschrijven, en ze geloven dat de bevrediging van de zintuigen tot het einde van het leven de hoogste noodzaak en het doel van de mensheid is.

14-13

Wanneer de eigenschap van duisternis en onwetendheid toeneemt, o nakomeling van Kuru, dan treedt duisternis, inactiviteit, waanzin en misleiding op.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna de gevolgen van een toename van de eigenschap van onwetendheid. Deze zijn duisternis, inactiviteit, waanzin en misleiding. Het bewustzijn van de mens wordt verduisterd, hij verliest het vermogen om helder te denken en te handelen, en zakt weg in apathie en illusies. In dit vers vervolgt Krishna de karakterisering van de acties van demonische wezens en hun gevolgen, en ze zijn volledig verstrikt in de netwerken van honderdduizenden verlangens die hen controleren en leiden, en overmand door passie en woede zoeken ze naar manieren om illegaal geld en macht te verwerven.

14-14

Wanneer een persoon die zich in de eigenschap van goedheid bevindt sterft, bereikt hij de zuivere, hoogste verblijfplaatsen van de wijzen.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat een persoon die sterft onder invloed van de eigenschap van goedheid de zuivere, hoogste verblijfplaatsen van de wijzen bereikt - de spirituele werelden waar geen lijden en onwetendheid is. Dit is het resultaat van langdurige spirituele oefening en het cultiveren van goedheid. In dit vers onthult Krishna de manier van denken van een demonische persoon, en deze persoon is geobsedeerd door hebzucht en denkt voortdurend na over hoeveel rijkdom hij nu bezit en hoeveel hij in de toekomst zal verwerven.

14-15

Wanneer een persoon sterft in de eigenschap van passie, wordt hij geboren te midden van degenen die gehecht zijn aan vruchtbare actie, en wanneer hij sterft in de eigenschap van onwetendheid, wordt hij geboren in het dierenrijk.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat een persoon die sterft onder invloed van de eigenschap van passie opnieuw wordt geboren onder degenen die gehecht zijn aan vruchtbare actie, d.w.z. materialistisch ingestelde mensen. Aan de andere kant, als een persoon sterft onder invloed van de eigenschap van onwetendheid, kan hij zelfs in het dierenrijk worden geboren, omdat zijn bewustzijnsniveau laag is. In dit vers vervolgt Krishna het onthullen van de manier van denken van de demonische persoon, die vol geweld, egoïsme en illusies is, en zou kunnen verduidelijken dat zo'n persoon anderen als zijn vijanden beschouwt en er trots op is hen te hebben overwonnen of gedood, en zichzelf ten onrechte als de heerser en eigenaar van de hele wereld beschouwt.

14-16

Er wordt gezegd dat het resultaat van een liefdadige daad puur is en behoort tot de eigenschap van goedheid. Daden die in de eigenschap van passie worden verricht, brengen lijden voort, maar daden die in de eigenschap van onwetendheid worden verricht, leiden tot waanzin.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna de gevolgen van verschillende acties, afhankelijk van door welke eigenschappen ze worden beïnvloed. Liefdadige actie, verricht onder invloed van de eigenschap van goedheid, brengt zuiverheid en spirituele vooruitgang. Acties die onder invloed van passie worden verricht, veroorzaken lijden en gehechtheid aan het resultaat. Daarentegen leiden acties die worden beïnvloed door de eigenschap van onwetendheid tot waanzin en spirituele degeneratie. In dit vers vervolgt Krishna het onthullen van de manier van denken van de demonische persoon, die gebaseerd is op ijdelheid en zelfbedrog, en zou kunnen verduidelijken dat zo'n persoon trots is op zijn rijkdom en invloedrijke verwanten, zichzelf als almachtig en gelukkig beschouwt, en van plan is donaties te doen en liefdadige geschenken te geven niet uit oprecht mededogen, maar om te genieten van zijn vermeende adel en zijn reputatie te vergroten.

14-17

Vanuit de eigenschap van goedheid ontwikkelt zich ware kennis, vanuit de eigenschap van passie - hebzucht, maar vanuit de eigenschap van onwetendheid - waanzin, misleiding en onwetendheid.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit welke gevolgen voortkomen uit elk van de drie eigenschappen. De eigenschap van goedheid bevordert de ontwikkeling van ware spirituele kennis. De eigenschap van passie creëert hebzucht en onverzadigbare verlangens. De eigenschap van onwetendheid leidt tot waanzin, misleiding en onwetendheid, wat het tegenovergestelde is van spirituele groei. In dit vers beschrijft Krishna de gevolgen die voortkomen uit demonisch denken en handelen, en zou kunnen verduidelijken dat dergelijke personen, misleid door vele zorgen en opgesloten in een netwerk van misleidingen, te gehecht raken aan zintuiglijk genot en in de hel vallen, wat spirituele degeneratie en lijden symboliseert.

14-18

Zij die zich in de hoedanigheid goedheid bevinden, gaan geleidelijk op naar de hogere planeten; zij die zich in de hoedanigheid hartstocht bevinden, leven op de aardse planeten; en zij die zich in de afschuwelijke hoedanigheid onwetendheid bevinden, dalen af naar de helse werelden.

Uitleg: In dit vers beschrijft Krishna hoe elk van de drie hoedanigheden het lot van de ziel na de dood beïnvloedt. Degenen die onder invloed van goedheid staan, stijgen op naar de hogere planeten – de spirituele werelden. Degenen die onder invloed van hartstocht staan, blijven op de aardse planeten, d.w.z. de materiële wereld. Degenen die onder invloed van onwetendheid staan, dalen daarentegen af naar de helse werelden, waar lijden en duisternis heersen. In dit vers beschrijft Krishna de houding van demonische mensen ten opzichte van spirituele praktijken, en er zou kunnen worden verduidelijkt dat ze zelfgenoegzaam en schaamteloos zijn, opscheppen over hun rijkdom en ingebeelde eer, en als ze offers of rituelen uitvoeren, ze dat alleen doen voor de uiterlijke schijn, zonder rekening te houden met regels of spirituele principes.

14-19

Wanneer iemand werkelijk begrijpt dat er in alle activiteiten geen andere dader is dan de hoedanigheden van de natuur, en de Allerhoogste Heer kent, die transcendent is aan al deze hoedanigheden, dan bereikt hij Mijn spirituele wezen.

Uitleg: In dit vers legt Krishna uit dat als gevolg van waar begrip de mens begrijpt dat alle activiteiten in de materiële wereld worden uitgevoerd door de drie hoedanigheden van de natuur, en niet door de ziel. Wanneer iemand de Allerhoogste Heer kent, die transcendent is aan deze hoedanigheden, bereikt hij Krishna's spirituele wezen, d.w.z. hij wordt bevrijd van de beperkingen van de materiële wereld. In dit vers onthult Krishna de houding van demonische mensen ten opzichte van God, en er zou kunnen worden verduidelijkt dat ze verdwaald zijn door een vals ego, kracht, trots, lust en woede, en God minachten, die zowel in hun eigen lichaam als in dat van anderen als de Superziel verblijft. Ze belasteren de ware essentie van religie door de principes ervan te ontkennen en zich tegen spirituele waarden te keren.

14-20

Wanneer het belichaamde wezen in staat is om boven deze drie hoedanigheden uit te stijgen die verband houden met het materiële lichaam, kan het bevrijd worden van geboorte, dood, ouderdom en het daarmee samenhangende lijden en zelfs in dit leven de nectar van onsterfelijkheid genieten.

Uitleg: In dit vers bevestigt Krishna dat door boven de drie hoedanigheden van de materiële natuur uit te stijgen, het belichaamde wezen (de ziel) bevrijd kan worden van geboorte, dood, ouderdom en het daarmee samenhangende lijden. Bovendien is deze bevrijding en het genieten van de nectar van onsterfelijkheid zelfs mogelijk terwijl men nog in dit lichaam is, d.w.z. tijdens dit leven. In dit vers legt Krishna uit welk lot degenen te wachten staat die jaloers, kwaadaardig zijn en zich demonisch gedragen, en er zou kunnen worden verduidelijkt dat Hij zulke mensen, de laagsten van allemaal, voortdurend in de oceaan van lijden werpt, waardoor ze in verschillende demonische levensvormen worden geboren, waar lijden en duisternis heersen.

14-21

Arjuna vroeg: O mijn Heer, waaraan kan men iemand herkennen die boven deze drie hoedanigheden is uitgestegen? Hoe gedraagt hij zich? En hoe overwint hij de hoedanigheden van de natuur?

Uitleg: In dit vers stelt Arjuna Krishna vragen om beter te begrijpen hoe iemand te herkennen die boven de drie hoedanigheden van de materiële natuur is uitgestegen. Hij wil weten hoe zo iemand zich gedraagt en hoe hij in staat is geweest de invloed van deze hoedanigheden te overwinnen. In dit vers gaat Krishna verder met het uitleggen van het lot van demonische wezens, en er zou kunnen worden verduidelijkt dat deze personen, door steeds weer in demonische levensvormen terecht te komen, niet in staat zijn God en spirituele bevrijding te naderen, en geleidelijk aan in steeds lagere en afschuwelijkere vormen van bestaan wegzakken.

14-22

De Allerhoogste Heer antwoordde: O zoon van Pāṇḍu, hij die verlichting, gehechtheid en illusie niet haat wanneer ze aanwezig zijn, en er niet naar verlangt wanneer ze verdwenen zijn.

Uitleg: In dit vers begint Krishna met het beantwoorden van Arjuna's vraag door de eerste tekenen te beschrijven die duiden op het uitstijgen boven de drie hoedanigheden. Iemand die deze staat heeft bereikt, voelt geen afkeer van verlichting (de manifestatie van goedheid), gehechtheid (de manifestatie van hartstocht) en illusie (de manifestatie van onwetendheid) wanneer ze aanwezig zijn, noch is hij van streek als ze er niet zijn. Hij is gelijkmoedig in alle omstandigheden. In dit vers noemt Krishna de drie belangrijkste obstakels die tot spirituele degradatie en lijden leiden, die symbolisch de "poorten naar de hel" worden genoemd, en er zou kunnen worden verduidelijkt dat deze obstakels lust, woede en hebzucht zijn, en dat elk verstandig mens die zich spiritueel wil ontwikkelen, deze negatieve eigenschappen moet opgeven.

14-23

Wie neutraal en transcendent blijft, wetend dat alleen de hoedanigheden werken, wie onwankelbaar en vredig is, wie geluk en leed gelijkelijk beziet.

Uitleg: In dit vers gaat Krishna verder met de beschrijving en geeft aan dat iemand die boven de hoedanigheden is uitgestegen, neutraal en transcendent blijft, zich ervan bewust dat alleen de hoedanigheden van de materiële natuur werken. Hij is onwankelbaar in zijn spirituele bewustzijn, vredig en beziet geluk en leed gelijkelijk, zonder zich door schommelingen te laten meeslepen. In dit vers legt Krishna uit dat iemand die zich heeft kunnen bevrijden van de invloed van lust, woede en hebzucht, activiteiten kan uitvoeren die zelfrealisatie bevorderen, en er zou de gedachte aan kunnen worden toegevoegd dat zo iemand geleidelijk het hoogste doel nadert – spirituele bevrijding en eenheid met het Goddelijke.

14-24

Wie in evenwicht is, voor wie een goudstuk, een kluit aarde en een steen van gelijke waarde zijn, wie wijs is en zowel het wenselijke als het onwenselijke gelijkelijk aanvaardt, wie standvastig is en zowel lof als blaam gelijkelijk aanhoort.

Uitleg: In dit vers vervolgt Krishna de beschrijving van de eigenschappen van iemand die boven de drie hoedanigheden van de materiële natuur is uitgestegen. Zo iemand is in evenwicht, voor hem is er geen verschil tussen goud, aarde en steen, omdat hij zich heeft bevrijd van de materiële waardeschaal. Hij is wijs en aanvaardt zowel het wenselijke als het onwenselijke gelijkelijk, zonder zich door uiterlijke omstandigheden te laten beïnvloeden. Hij is standvastig in zijn overtuiging en hoort zowel lof als blaam gelijkelijk aan, omdat zijn zelfrespect niet afhankelijk is van externe beoordeling. In dit vers waarschuwt Krishna dat iemand die de instructies van de heilige schriften en spirituele principes niet volgt, maar alleen handelt volgens zijn eigen grillen en wensen, noch spirituele volmaaktheid, noch waar geluk, noch het hoogste doel – bevrijding – zal bereiken, en er zou kunnen worden verduidelijkt dat zijn leven vol lijden en teleurstelling zal zijn, omdat het gebaseerd zal zijn op egoïsme en onwetendheid.

14-25

Wie eer en oneer gelijkelijk behandelt, wie vriend en vijand gelijkelijk behandelt, wie afstand heeft gedaan van elke materiële activiteit – van zo iemand zegt men dat hij boven de hoedanigheden van de materiële natuur is uitgestegen.

Uitleg: In dit vers voltooit Krishna de opsomming van de eigenschappen van iemand die boven de hoedanigheden van de materiële natuur is uitgestegen. Zo iemand behandelt eer en oneer gelijkelijk, vriend en vijand, en heeft afstand gedaan van elke activiteit die gericht is op het bereiken van een materieel resultaat. Zijn acties zijn vrij van egoïsme en dienen een hoger doel.

14-26

Wie zich volledig overgeeft aan spirituele dienstbaarheid en op geen enkele manier van dit pad afwijkt, stijgt onmiddellijk boven de hoedanigheden van de materiële natuur uit en bereikt het niveau van Goddelijk bewustzijn.

Uitleg: In dit vers onthult Krishna hoe men het meest effectief boven de hoedanigheden van de materiële natuur kan uitstijgen – door volledige overgave aan spirituele dienstbaarheid, oftewel aan God toegewijde actie. Wie op geen enkele manier van dit pad afwijkt, stijgt onmiddellijk boven de beperkingen uit en bereikt het niveau van Goddelijk bewustzijn, d.w.z. spirituele bevrijding.

14-27

En Ik ben de basis van het Goddelijk bewustzijn, dat onsterfelijk, onvergankelijk en eeuwig is, en de natuurlijke toestand is van hoogste geluk, Goddelijke liefde.

Uitleg: In dit vers sluit Krishna het veertiende hoofdstuk af door te onthullen dat Hij de basis is van het Goddelijk bewustzijn, dat onsterfelijk, onvergankelijk en eeuwig is. Dit Goddelijk bewustzijn is de natuurlijke toestand van het hoogste geluk en Goddelijke liefde, waar alle levende wezens naar streven. Krishna is de bron en het einddoel van al het bestaande. In dit vers sluit Krishna het hoofdstuk af door het belang van de heilige schriften op het spirituele pad te benadrukken, en er zou de gedachte aan kunnen worden toegevoegd dat de mens zich moet laten leiden door de instructies van de heilige schriften om te begrijpen wat zijn plicht is en wat niet, en dat hij, door deze regels en principes te kennen, zo moet handelen dat hij zich geleidelijk spiritueel verbetert.

-1-   -2-   -3-   -4-   -5-   -6-   -7-   -8-   -9-   -10-   -11-   -12-   -13-   -14-   -15-   -16-   -17-   -18-